Mijn foto

Laatste reacties

  • Capricorn @Anoniempjes: Grove spelfout
  • En nu maar hopen dat je daar
  • I'm weally pwoud!!
  • Capricorn @Twee Anoniempjes: Never wor
  • Thank God he is alive
  • :-)) Onverlaat..In elk geval
  • *knock knock*
Neem inhoud van deze site over (XML)
web-log.nl, powered by TypePad

Maandag, 15 maart 2010

Soms vergeet je wat voor mooie muziek The Alan Parsons Project in de tijd dat ze bestonden op de wereld heeft gezet. Compleet tijdloos. Het nummer dat ik nu luister (‘Closer to heaven’ van de prachtplaat Gaudi) is alweer 25 jaar oud en klinkt alsof het gisteren was opgenomen. Een tiener was ik, toen ik ‘m voor het eerst hoorde. Jeugdvriend R. en ik hielden het stuk vinyl dat we van de plaatselijke fonotheek hadden gehaald in onze handen alsof we zojuist een schat uit de tombe van Toetanchamon hadden gehaald. Een, voor onze begrippen, hele tijd hadden we erop moeten wachten. Het openingsnummer, La Sagrada Familia, had ik al eerder op de LP- en CD show van Wim van Putten gehoord en vastgelegd op een cassettebandje. Met gedempt licht hadden we daar samen naar geluisterd in mijn slaapkamer en voor onszelf vastgesteld dat ons weer een waar meesterwerk te wachten stond. Toen de naald het vinyl raakte een paar weken later en de openingsgalm van kerkklokken ons via de speaker tegemoet kwam wisten we dat we in onze aanname gelijk hadden gehad. Dit was er weer eentje om in te lijsten.

Gaudi bleek de laatste plaat die het collectief nog samen zou maken. Of in ieder geval onder de banner van APP, want de LP Freudiana die daarna kwam stond nog wel onder auspiciën van beide heren en was alleen in naam geen produkt van de Project. Maar daarna was de koek op en gingen beide heren, Alan Parsons en Eric Woolfson, ieder hun weg. Nooit meer zouden ze dezelfde hoogtes bereiken.

Eric Woolfson is inmiddels niet meer en het is dan ook een stem vanuit het graf die me vanavond toezingt. Ik heb kippenvel als ik de tekst luister en de delicate manier waarop de muziek wordt vertolkt. De produktie is glashelder en geeft ruimte aan de diepte, de rijkwijdte en de emotie van het nummer en ik word me in het klein bewust van al die jaren die voorbij zijn gegaan sinds ik voor het laatst naar deze CD heb geluisterd. Zoveel andere muziek die voorbijkwam terwijl er toch ergens altijd wel het besef was dat deze muziek zo uniek in z’n soort was dat ze vroeg of laat toch wel weer een keer op zou duiken. En die keer blijkt vanavond. Ik steek een theelichtje aan voor zij die haar schiepen en voor het verlies van die ene man die in het dagelijks leven een geharde zakenman was, maar die zijn ziel en zaligheid stopte in de muziek die hij schreef als hij geen handel dreef: Eric Woolfson. Moge zijn ziel vrede hebben gevonden en zijn muziek voortleven zoals goede muziek dat altijd zal blijven doen. Een kado aan de wereld en de generaties die zijn en komen gaan.

Een maand is verstreken sinds mijn laatste blog en het lijkt alsof dit blijkbaar het interval is dat me nu past. Ik dacht er wel eerder aan weer iets te schrijven, maar de woorden bleken onvoldoende  en al eerder gesproken. Niet tegen het papier maar tegen de mensen om me heen en B. in het bijzonder. Ze volgt me bij de stappen die ik zet en moedigt me aan die kanten op te gaan waarvan ze meent dat ik er dien te zijn. Niet vanuit haar eigen wensen maar vanuit de wensen die ze in mij herkent. Sommige daarvan heb ik niet eerder tegen mezelf durven uitspreken en anderen had ik niet eens bij mezelf herkend. Zoals afgelopen zondag toen we aan het winkelen waren in Den Haag en zij maar met kleding bleef sjouwen terwijl ik onrustig wachtte in het pashokje. Kleding die ik voorheen niet zou hebben aangeschaft maar die me wonderwel erg goed staat als ik ze aan mijn lijf in de spiegel ontwaar. Shirts die maken dat mijn borstpartij beter uitkomt waardoor ik ineens iets zie van de mannelijkheid die mijn uitstraling eigen lijkt te kenmerken volgens velen de laatste tijd. Iets wat ik niet eerder kon of wilde zien. Ik zie de contouren van mijn lijf in de spiegel en zie dat het eigenlijk, met uitzondering van de recente welwaartsbuik, een afgetrainde vorm heeft. Mijn wervelkolom kromt trots, mijn borst staat vooruit, mijn kont pronkt fier. Alleen mijn gezicht heeft een wat begeesterde uitdrukking die grenst aan iets wat ik “verlegenheid” of “onzekerheid” zou kunnen noemen. Een uitdrukking die uiting geeft aan het laatste beetje ontkenning in mijzelf. Het laatste beetje weerstand.

B. zegt dat ik een creatieveling ben die zichzelf heeft verhuld. Dat mijn kleding slechts spaarzaam weergeeft wie ik ben. Dat ik mezelf mijn ware ik ontzeg als ik er niet op een meer naturelle manier mee omga. En dat betekent dus voeding geven aan mijn creativiteit, schrijven, muziek maken, culturele dingen doen en die vonken opzoeken die mijn hart in lichterlaaie zetten. En, ja, het is waar: ik begeef me in een meer creatief vervulde omgeving de laatste tijd. Er gaat geen weekend voorbij of zij en ik zitten in het theater of voeden onze zielen met ander creatiefs. Zij pelt langzaam maar zeker de lagen om mij heen weg en ik ontdek stukje bij beetje, steeds meer, welk een kostbare diamant zich in mijn armen nestelt als we ’s avonds samen gaan slapen. Ontroerd had ik me gevoeld toen ik naar haar keek of toen ik alleen in haar flat was terwijl zij op pad was met een vriendin. Deze vrouw, zo klein van stuk en met zo’n heftige levenswandel, heeft een puurheid in zich bewaard die me diep raakt als ik haar van een afstand bekijk. Een puurheid die me soms bang maakt omdat ze dichtbij komt. En zoals zij mij opent, open ik haar. Brengen we onszelf in elkaar naar boven. Is het soms bijna alsof we ontwaken uit een hele lange winterslaap en we de eerste lente samen als jonge, onschuldige kinderen begroeten.
Dit moet liefde zijn.

Het boek gaat verder en laatstelijk is er weer een rits brieven de deur uitgegaan die mijn rentree in het arbeidsproces moet bewerkstelligen. Op het merendeel kwam de gebruikelijke afwijzing, maar voor de meest belangrijke kreeg ik wel een uitnodiging voor een gesprek: Muziekcentrum Vredenburgh. Ik heb daar vandaag veel vragen weg te werken. De meest belangrijke van het stel is dat men zich serieus afvraagt of ik niet “te zwaar” ben. Of mijn opgedane ervaringen in het verleden niet zullen maken dat ik na een jaar weer ga lopen. Zoals ik dat deed bij mijn vorige baan. En die daarvoor. En die daarvoor. Ik moet praten als brugman over mijn verlangen te werken bij een kleinere organisatie, dat ik het niet zie als een stap terug en dat ik oprecht van plan ben dit te laten slagen. Dat ik mezelf niet te zwaar voel al leest mijn CV als de natte droom van menig financial. Dat het vinden van een baan als deze juist de reden is dat ik ben weggegaan bij Het Bastion ook al zal ik financieel enorm moeten inleveren. Dat ik gewoon binnen een omgeving als deze, met een produkt als het hunne, aan de slag wil.
Aan het einde van het gesprek heb ik geen idee of ik voldoende overtuigend ben geweest. Mijn best heb ik in ieder geval wel gedaan. De rest, zoals B. zou zeggen, is aan het universum. Woensdagavond hoor ik verder.

De tijd vliegt voorts verder. Mijn vader werd drie weken geleden 75 en gaf een knalfuif waarbij mijn neefjes, nichtjes en ik het leeftijdsgemiddelde van de aanwezigen danig omlaag trokken. Mensen die ik al mijn hele leven ken maar die ik al jaren niet meer had gezien togen voorbij; grijzer en ouder dan de herinnering aan hen mij had doen geloven. En als stralend middelpunt de pater en mater zelf die zichtbaar genoten van hoe goed de organisatie weer was geweest die avond. Met een rijk gevoel afsluitend naderhand met hun kinderen, kleinkinderen en aangetrouwden bij hun zijde. Mijn jongste nichtje had zelfs haar eerste vriendje bij zich. Zo voltrekken zich de jaren; om, in en voorbij mij en hen. Mijn zus wordt binnenkort 50. Twee jaar geleden had niemand dat durven denken. Hooguit hopen. En soms doet hoop inderdaad leven.

Ik had een angstaanjagende ervaring bij het blok van het ITIP over Karma. Een rechtstreeks contact met voorouders uit de familielijn van mijn vader waarvan er eentje erg direct binnenkwam. Een totaal verkeerd gevoel wat kippenvel opriep en een algeheel gevoel van onbehagen. De energie van mijn overgrootvader; ik heb hem nooit gekend. Navraag bij vader later leert dat de man teleurgesteld, bestolen en alleen is gestorven in een armenhuis. In de bloei van zijn leven was hij schatrijk en succesvol geweest. Is hij de man die me komt bezoeken in het nachtelijke uur, met een brandlucht als gezel? Het heeft er alle schijn van. De vraag is alleen waarom? Voor nu houdt het bergkristal wat ik heb opgehangen aan de spijlen van het bed de geur vreemd genoeg op afstand. Hij is er nog wel. Hij bezoekt alleen het bed niet meer.
Wat kom je brengen, onbekende voorouder? Een waarschuwing?

Ik was niet de enige die de geur rook. Ook B. had haar geroken toen ze bij mij sliep en bij haar had het, naast een gevoel van angst, ook een gevoel van intens verdriet opgeroepen. Bijna alsof ze de emoties van de overlevering had weten aan te raken. Maar zeker weten doe ik dat niet. Ik heb geen idee wat het allemaal betekent en of het allemaal wat betekent. Het is er alleen maar en het zal er zijn om een reden. Denk ik.

Soms voel ik dat ik stukjes uit mijn verleden aan het verwerken ben. Eindelijk. Dat ik durf en kan rouwen om relaties die zijn stukgelopen. Dat ik bepaalde verliezen onder ogen durf te zien. Dat ik eigen schuld durf te bekennen waar dat van toepassing is. Alsof ik een draaikolk zit die om vrede vraagt en die ook vrede schenkt. Dat ik eindelijk een soort van basis aan het bereiken ben waarna ik al die jaren op zoek ben geweest. Een gevoel van niet meer zoeken, maar juist het vinden koesteren. Wat dat vinden dan ook mag zijn.

Dat is het sentiment als ik dit vanavond schrijf. Rust. Zin in de nieuwe dag. Nog steeds wel een beetje bang en onzeker op bepaalde fronten, maar ook iets minder bang om mezelf te laten zien.

“Kijk eens, wat is ‘ie prachtig he?”, zegt ITIP-genote I tegen ITIP-genote D als ze naar me kijken terwijl ik met iemand anders in gesprek ben. “Hoe bedoel je dat?”, vraag ik hen omdat ik het niet snap. Ze glimlachen beiden warm en zeggen dan “er straalt zoveel rust van je af nu. Prachtig om dat te zien!”. En daarmee bevestigen ze mij wat B. me al eerder zei.

“Als jij je niet bewust bent van je omgeving ben je zo’n mooie man om naar te kijken. Het is pas als jij je wel bewust bent en je verstopt dat die gloed weggaat. Kom gewoon naar buiten. Je hebt de wereld zoveel moois te bieden en het is zonde als je dat verstopt. Wees jezelf, word jezelf en alles wat jij je maar wenst komt jouw kant op”

Rond mijn dertigste verloor ik vrijwel al mijn zekerheden: mijn baan, mijn vriendin, mijn gezondheid en bijna mijn huis. Het is een lange weg geweest sinds toen en hij verliep niet zonder incidenten. Maar de laatste tijd voel ik soms weer een kracht en een levenslust door me heen stromen die ik lange tijd gemist heb.

Ik zal nooit meer de man worden die ik was. Maar hopelijk is deze nieuwe man die langzaam tevoorschijn komt dichter bij de ziel die ooit in mijn lijf op deze wereld werd gezet.
Dat is mijn weg.

Is het toeval dat juist nu “Here comes the sun” van The Beatles op de playlist voorbij komt?

Dinsdag, 23 februari 2010

Boek 1, deel 1: AF!

Ongereviseerd, 110 pagina's A4 wat zich vertaald in 168 boekpagina's.

Ik zeg: Yihaa!

Donderdag, 18 februari 2010

Zo, zo. Nou,nou. Poe, poe. Dat was weer een tijdje geleden lees ik. Een hele maand maar liefst! De tijd vliegt echt als een gek. Hier ben ik, in alweer m’n zevende maand thuis, en eindelijk ben ik met iets bezig wat net zo vliegt als de tijd: een nieuw verhaal. Jawel! Een dikke twee weken geleden bekroop me ineens een bepaald idee en zonder dat ik ook maar enige notie had van waar het met dat verhaal naar toe moest ben ik toen begonnen met schrijven. En ik ben sindsdien niet meer gestopt. Vanavond legde ik de laatste hand aan het honderste A4-tje en, als de muze me gunstig gezind is, rond ik morgen het eerste deel van het grotere werk af. Ik heb geen idee hoe lang het gaat worden en ben evenmin zeker hoe het verhaal zal aflopen, maar vooralsnog lijkt dit een verhaal een eigen willetje te hebben. Steeds als ik denk dat ik het stuur kom ik er weer achter dat het zich niet laat sturen en steeds als ik denk dat ik de rode draad te pakken heb verschijnt er weer iets op het papier wat me daaraan doet twijfelen. Dit, waarde bloglezer, is bijna alsof ik muziek aan het schrijven ben: het gebeurt gewoon allemaal vanzelf.

Natuurlijk zijn er moeilijke momenten. Met name gisteren en vandaag worstelde ik met hoofdstuk 10 omdat daarin eigenlijk zoveel wordt verteld. Zoveel wat, zo ik voel, later in het verhaal van grote importantie zal blijken te zijn. Maar ook daarvan ben ik niet helemaal zeker. Misschien wordt de context wel een hele andere en blijken touwtjes waarvan ik meende dat ze aan elkaar moesten worden geknoopt uiteindelijk te horen bij andere draadjes waarvan ik het bestaan nog niet eens kan vermoeden. Wie weet? Ik in ieder geval niet. Het enige wat ik weet ik dat ik in zes voorgaande maanden in het totaal 70 A4-tjes heb weten te schrijven aan mijn eerste verhaal en dat ik, naar ik aanneem, morgen de laatste punt zal zetten op pagina 110 van het nieuwe. Het verschil in tempo is schrikbarend!

Daarmee wordt ook de kwestie van publicatie weer iets meer actueel. Als de trend zoals ze nu gaande is zich namelijk voort zal zetten, dan is het niet denkbeeldig dat ik voor de zomer over een kant en klaar boek zal beschikken. IJs en weder dienende uiteraard. Hoe dan verder? Welnu....
Ergens in december ben ik benaderd door een groep mensen die op dat moment een Hyve in het leven had geroepen met de naam “een revolutie in schrijversland”. Van de mensen die zich daarbij hadden aangemeld (en ik was daar één van) had men een selectie van 100 gemaakt van wie men de blogs wel aansprekend vond en tot die selectie behoorde ik ook. Het verzoek aan mij was om aan hen een manuscript te sturen van een pagina of 30 en dat dan voor het einde van het dan lopende jaar. Mijn manuscript (of, beter gezegd, mijn plot) was op dat moment koud 3 pagina’s met daarbij nog eens addendum van een pagina of 5 met daarop allemaal vragen die ik nog aan mezelf gesteld had. Wel had ik al hele stukken van het verhaal zelf, maar de eerste mensen aan wie ik dat had laten lezen hadden me er al van verzekerd dat hieraan nog wel het één en ander geschaafd moest worden. De soepelheid die, zo zei men, mijn blogs zo kenmerkte was niet echt evident in de eerste paar hoofdstukken. En dat, gecombineerd met mijn voorliefde voor enorme volzinnen, maakte het geheel niet altijd even leesbaar. Positiever was men over waar men dacht dat ik naar toe zou gaan met het verhaal, maar ja: die verdomde leesbaarheid he?
Om terug te komen op het verzoek: ik had dus niet echt iets. De jaarwisseling kwam en ging en daarmee ook mijn mogelijkheid om deel te nemen aan “de revolutie in uitgeversland”. Het was niet anders. Ik begon me al min of meer te verzoenen met het feit dat het gewraakte boek er wellicht wel nooit zou komen.

Inmiddels heeft “de revolutie in uitgeversland” een naam: tenpages.com. De gedachte achter dit initiatief is dat lezers zich kunnen inkopen op een boek middels aandelen. Eén aandeel kost de nietsvermoedende lezer een slordige vijf Euro en wanneer het de schrijver lukt om tweeduizend aandelen te verpatsen dan krijgt ‘ie automatisch een contract bij een grote uitgeverij, wordt zijn boek landelijk uitgebracht en deelt de aandeelhouder mee in de profits. En dit alles op basis van een op de website te plaatsen strofe uit het verhaal; tien pagina’s groot.
De bedrijfseconoom in mij vraagt zich af: where’s the catch?

Het concept an sich is niet nieuw. Althans niet in de muziekwereld. Een band als Marillion laat al jaren haar fans de nog te schrijven en op te nemen CD financieren middels zogeheten pre-orders. In ruil daarvoor krijgt de donateur dan een deluxe versie (die exclusief is aan deze groep mensen) van de CD wanneer deze uitkomt, met zijn naam in het artwork. Ik doe er al jaren aan mee als loyale supporter van de band. Het concept van aandelen in een boek werkt echter, volgens de site, als volgt.

Stel je hebt 20 aandelen in manuscript X. Alle aandelen worden verkocht en het boek wordt uitgegeven. Het boek wordt vervolgens in de winkel verkocht voor € 20,- en er worden 20.000 exemplaren van verkocht. Wat verdien je dan?

20 aandelen x 1/2000e x 10% x 20 euro x 20.000 = 400 euro

De vraag die mij alleen rest is dan: wat verdien ikzelf dan nog? Daarover is de site niet eenduidig. Ik zou een “standaardcontract” krijgen plus iets van duizend Euro aan royalties, eenmalig. Maar hoe of wat verder? Ik weet het niet.
Hoe dan ook, het zou een optie kunnen zijn al heb ik geen idee hoe ik ooit 2000 aandelen zou kunnen verkopen. Maar dat is pas aan de orde als ik besluit om deze optie aan te gaan. Ben ook wel benieuwd hoe jullie daarover denken....

Vooralsnog ben ik gewoon blij dat ik aan het schrijven ben, dat mijn dagen op die manier ook een uiterst produktieve invulling kennen en dat mijn hoofd elke avond weer tolt met wat ik de dag erop weer eens aan het papier zal toevertrouwen. Heerlijk gevoel kan ik je zeggen.

Je begrijpt dat daardoor alle focus die ik heb ook zo’n beetje in het boek is gaan zitten. Van bloggen komt het vaak niet meer omdat ik in de avond eigenlijk wel uitgetypt ben en ik hang dan liever voor de buis met Prison Break, Lost en de diverse documentaires over religie en de oudheid die ik in de afgelopen tijd verzameld heb. En op die manier, zoals gezegd, vliegen de weken om.

Ik heb één fervente lezer die (bijna) elke avond weer een nieuw hoofdstuk van me ontvangt en die me dan ook altijd weer liefdevol en geduldig van commentaar voorziet. Ze doet dat op een hele subtiele en motiverende manier die op niet geringe wijze bijdraagt aan mijn motivatie om maar door te gaan. En voor die steun ben ik waanzinnig dankbaar. B., je weet wie je bent ;)

Op de jobmarkt is het nog steeds k met p en dat ligt de afgelopen tijd met name aan mezelf. Van de drie zaken die ik nog had lopen heb ik niets meer mogen horen en toen zelfs de rappels die ik nog had gestuurd onbeantwoord bleven was ik eigenlijk wel weer helemaal klaar in headhunterland. Het is toch eigenlijk om te janken dat de business blijkbaar zo overspannen is dat men niet eens meer het fatsoen heeft om te reageren?! Mij stuit het tegen de borst in ieder geval.  Maar de maanden gaan verder en ondanks dat ik barst van de inspiratie om te schrijven bekruipt me soms het angstige gevoel dat ik de aansluiting met “de werkelijke wereld” uiteindelijk ga missen. Dat het me niet lukt om voor het aflopen van mijn uitkering weer aan een baan te komen. In de tijd lijkt het nog heel ver weg voordat het zover is, maar in tijd is de realiteit dat ik op dit moment de helft van mijn uitkeringshorizon met rasse schreden begin te naderen. Natuurlijk blijf ik hopen dat de markt weer zal aantrekken en dat het allemaal toch nog goed zal komen, maar als ik dan vanochtend weer in het nieuws lees dat de werkloosheid in Nederland in de afgelopen maand een nieuw record heeft bereikt dan kriebelt het toch wel weer van binnen. De tak van sport waarin ik altijd mijn brood verdiend heb blijkt dan ook nog eens, net als de bouw, één van de grootste zorgenkindjes te zijn. Welke kant dat toch op zal gaan? Come what may zal ik echter één dezer weken toch mijn volledige aandacht weer moeten richten op het vinden van werk. Als iemand van jullie nog wat weet: ik houd me van harte aanbevolen......

Ik zit de laatste tijd in de cabaretscene! Nee, niet als degene op het podium, maar als degene in het publiek! In de afgelopen maand heb ik Ali B., Maarten van Roosendaal en Najib Ahmali al voorbij zien komen en dit weekend mag ik ook Amar aan dat rijtje toevoegen. U leest, veel buitenlands aandoende namen en ik mag wel zeggen dat me dit erg goed bevalt ook. Onze medelanders houden er toch wel een bijzonder soort humor op na en aangezien ik van mezelf ook wel multiculti aangelegd ben (althans dat maak ik mezelf en de mensheid wijs) is dat wel een match. Voornaamste drijfveer achter mijn gaan naar deze voorstellingen is echter de al eerder genoemde B. met wie ik meer en meer tijd begin door te brengen sinds een dikke anderhalve maand. Ze kwam een maand of wat geleden in mijn mailbox en ze is sindsdien niet meer weggegaan.
Tja... :)

Het ITIP blijft zorgen voor bijzondere taferelen en ik doe er wijs aan om daar niet al te breed op in te gaan hoezeer de verleiding daartoe ook bij mij aanwezig is. Laat ik het afdoen door te zeggen dat ik door het helper/werkerschap eigenlijk enorm veel leer over zowel de relaties met mijn vrienden als over mijn voorgaande relaties in de liefdessfeer. Wel bijzonder om beide varianten (want het zijn bij mij ook echt hele andere disciplines) terug te zien in juist de mensen die mij uitzochten (en ik hen) om dit jaar in de meer persoonlijke sfeer de eigen ontwikkelingen mee te reflecteren. Dat er aan één zijde een duidelijke conflictsituatie is ontstaan zal een ieder die mij een beetje kent dan ook niet verbazen.  Het mooie daaraan is dat ik er actief iets mee kan doen zonder dat ik iemand de deur hoef te wijzen en zonder dat ik er een gebroken hart aan overhoud.
Maar confronterend niettemin.

En verder? Wel, ik maak natuurlijk niet zo heel veel mee in de zin dat ik voel dat ik er op dit moment veel over wil vertellen. De weekenden en de weken zijn gevuld met leuke en inspirerende dingen en die geven ieder op hun eigen manier weer heerlijk energie. Ik hanteer weer een strak ritme als het aankomt op slapen gaan en opstaan en ik voel me daar ook wel bij. Dat is een goed iets. Mijn aandacht gaat nu voornamelijk uit naar het schrijven, maar de vervanger van de voorversterker die in december ontplofte (en waarmee ik mijn eigen muziek kon opnemen) schijnt volgende week te worden geleverd dus hopelijk kan ik daarmee dan ook wat gaan doen. Ik heb genoeg materiaal om een flink aantal minuten mee te vullen en hopelijk mondt dat dan weer uit in een nieuwe CD. De tracklisting? Wel, niet dat je er benieuwd naar bent of dat de titels van de nummers je ook maar iets zouden zeggen, maar die is er in ieder geval wel. Elf nummers komen er op en ik schat dat de speelduur ergens rond de 45 minuten zal zweven. En er zal tenminste één instrumentaal nummer op komen te staan met de titel “Izmir”. So there ya go.

En dan nu, in antwoord op de onverlaat die het waagde de vraag der vragen te stellen in reactie op de spreuken die ik hier eerder deze week postte:

*knock, knock*

He’s here.

Ways of life

Ways of Life
1. If you want your dreams to come true, don't oversleep.
2. The smallest good deed is better than the grandest intention.
3. Of all the things you wear, your expression is the most important.
4. The best vitamin for making friends....B1.
5. The 10 commandments are not multiple choices.
6. The happiness of your life depends on the quality of your thoughts.
7. Minds are like parachutes...they function only when open.
8. Ideas won't work unless YOU do.
9. One thing you can't recycle is wasted time.
10. One who lacks the courage to start has already finished.
11. The heaviest thing to carry is a grudge.
12. Don't learn safety rules by accident.
13. We lie the loudest when we lie to ourselves.
14. Jumping to conclusions can be bad exercise.
15. A turtle makes progress when it sticks its head out.
16. One thing you can give and still keep ...is your word.
17. A friend walks in when everyone else walks out.
18. The pursuit of happiness is: the chase of a lifetime!

Maandag, 17 januari 2010

Het is de derde achtereenvolgende keer dat ik door mijn knieën zak met mijn armen uitgestrekt voor me. De spanning in m’n bovenbenen is bijna ondraaglijk, zeker als ik op enig moment ook mijn hakken van de grond omhoog laat komen. Maar die spanning is tijdelijk, dat weet ik. De kracht die ik nog geen vijf minuten geleden door m’n spieren voelde gieren is nog maar een schim van wat ze was. Eigenlijk kan ik niet meer. De wil is er wel, maar het lijf werkt niet meer mee.

Ze staat voor me en in haar ogen zie ik een onuitgesproken verdriet als ze naar mijn worsteling kijkt. De eerste keer grapte ik nog over de pijn die ik voelde. De tweede keer waren het geen grapjes meer maar werd het al iets meer feitelijk. Maar nu, deze keer, zijn er helemaal geen woorden meer. En die zijn er nog steeds niet als ik weer met een smak op de grond val omdat de spieren in mijn bovenbenen totaal verzuurd zijn en geen kracht meer weten te geven. Ik kan niet meer staan; alleen nog maar kruipen. Veronstchuldigend maar ook ietsje wanhopig kijk ik omhoog naar haar en probeer me met mijn armen weer omhoog te duwen van de grond. Daarin zit nog wel kracht. Maar mijn benen? Nee, die hebben alles gegeven wat er was. Of zit er misschien toch nog iets? Iets wat me weer omhoog zal krijgen waardoor ik weer kan gaan staan in de houding waaruit ik net gevallen was?

Ik krijg niet meer de kans om dat te onderzoeken. De trainer blaast de oefening af en om me heen lopen de mensen die dezelfde oefening als ik gedaan hebben op de persoon af die zij tegenover zich hadden staan. Ook ik wankel naar de mijne toe. Ze omhelst me liefdevol en er staan tranen in haar ogen. “Ik voel me zo verdrietig als ik naar je kijk” zegt ze en ik druk mijn neus tegen haar schouder; onmachtig om haar verdriet te delen. Elke keer dat ik viel werd het weer een stukje harder in me. Een stukje meer verbeten.

Na een tijdje laat ze los en kijkt ze me diep in de ogen aan. “Je zou nog liever doodgaan dan dat je om hulp zou vragen, he?” zegt ze en ik bevestig dat zonder ook maar een notie van schroom. Ja, dat zou inderdaad nog eerder gebeuren. Ik zou weer gaan staan en weer vallen, net zolang totdat ik niet meer overeind zou kunnen komen en dan nog zou ik niet huilen, niet smeken en niet uiten. Zelfs als de kracht me compleet zou hebben verlaten dan zou ik daar hebben gelegen in stilte, wachtend tot ik weer afdoende hersteld zou zijn om me weer op te richten. Want dat is wat ik doe. Tot de dood erop volgt desnoods.

Het thema van dit blok is “Innerlijke leiding” en het onderwerp voor vandaag is “hulp vragen”. Ik was niet de enige binnen de groep die niet vanuit het hart “help me” kon roepen naar de wachtende persoon aan de andere kant. Soms komt het er wel uit, maar dan is het of eisend, of verleidend, of voor de vorm, maar nooit echt met de waarachtigheid van de echte behoefte. De oudere dame die ik eerder voor me had gehad en die ook door de knietjes moest had alleen met haar ogen om hulp gevraagd vlak voordat ze een kritisch punt bereikte. Daarna was er geen hulpvraag meer te bekennen in haar. Alleen maar de zichtbare realisatie van het bekende en het daaropvolgende schrap zetten voor wat er zou komen. Het mag pijn doen. Het mag pijn blijven doen. De schrijnende acceptatie van het voorgestelde eigen lot. Houd de adem maar in en bijt maar op je tong want uiteindelijk snapt toch niemand wat voor soort hulp jij nodig hebt, dus waarom vragen? Nee, dat heeft geen enkele zin.....

De confrontatie stopt niet bij deze oefening. Ze blijft maar komen gedurende deze dagen in Groesbeek en waar het me gedurende vorige blokken nog wel gegund was om de theorie te absorberen en de praktijk te laten voor het Rijk Der Goede Voornemens, is er deze keer geen houden meer aan. Dromen uitleggen? Ach, welnee, ik kan me mijn dromen nooit herinneren. Of, nu ja, een paar weken geleden had ik een wat rare droom over de vrouw met wie ik ooit samenwoonde een jaar of acht geleden en die kon ik niet helemaal plaatsen. Of, droom.... Het was niet eens echt een droom. Gewoon meer een soort van plaatje. Een montage van drie foto’s zeg maar. Niet echt een verhaal of iets dergelijks. (en daarnaast geloof ik daar ook allemaal niet zo in!). “Weet je”, zegt de leidster die erbij is gekomen nadat ik elke mogelijke droomverklaring van mijn groepsgenootjes heb weten te pareren, “jij bent helemaal niet op een antwoord uit. Je neemt ons gewoon mee aan het handje in een cirkel waar niet uit te komen is. Uit je gedachten maar eens hardop en loop dat cirkeltje maar eens”. En dat doe ik.

Boem! Vijf minuten later sta je aan de grond genageld en voel je dat je, letterlijk, tegen een muur in jezelf aanloopt als de leidster je vraagt om toch eens naar die drie wulps dansende dames voor je te kijken en om daar aan mee te doen. “Ik kan het niet” hoor je jezelf zeggen en het erge is dat je dit ook ontzettend voelt. Alles in je is weerstand. “Natuurlijk kun je dat wel”, zegt de leidster. “Kijk toch eens naar jezelf! Je bent een ontzettend mannelijke, woest aantrekkelijke man en je hele aura is er eentje van pure levenslust. Het straalt gewoon van je af. Je hebt er alleen iets voor geschoven”. Ik kijk haar aan en laat de woorden weerklinken in m’n hoofd. Mannelijke man? Stralende levenslust? Ik kan ze niet matchen met het eigen beeld. En toch is ze niet de eerste die dit tegen me zegt in de afgelopen dagen. Wat mis ik? Wat heb ik mezelf allemaal verteld of wijsgemaakt. “Het voelt als binnendringen in haar ruimte” zeg ik tenslotte, volkomen confuus, tegen de leidster en deze kijkt me aan met een zachte blik. “Dat is ook wat mannen doen, Bas, binnendringen. Maar dan wel met toestemming”. Ik kijk van haar naar één van mijn drie groepsgenootjes en deze kijkt me recht aan. “Van mij mag je hoor” zegt ze uitdagend en dan strekt ze haar armen uit. Ik vlei me tegen haar aan en beantwoord haar erotisch bedoelde omarming. “Voelt het voor jou aan als een intieme omhelzing?” vraagt de leidster aan de groepsgenote. Deze schudt het hoofd. “Nee, meer als een soort van broer/zus omhelzing”. Ik voel de wanhoop naderen. “Het is goed zo”. De leidster spreekt de verlossende woorden. “Laat het nu maar even bezinken”.

In de avond doen we energetische oefeningen waarbij we de energie door ons lijf moeten laten stromen en dan onze handen van beneden, vanaf de vloer, langzaam omhoog moeten laten komen met onze hulpvraag. Eenmaal boven moeten we dan de armen sprijden, onze hulpvraag uiten en ons diep concentreren. En er gebeurt exact hetzelfde als wat er in het vorige blok tijdens een oefening met me gebeurde. Het voelt alsof er stralen van massief vuur uit mijn handpalmen spuiten die in het midden samenkomen in een enorme vuurbal. Het brandt gewoon! En elke keer dat ik de oefening herhaal intensiveert dat gevoel. Als ik meteen na die oefening contact moet maken met een groepsgenoot en mijn handen in de zijn leg, kijkt ‘ie me stomverbaasd aan. “Je handen zijn kokendheet!” zegt ‘ie. En dan kijkt hij nog verbaasder. De oefening had hem niets gebracht maar nu hij hand in hand met mij staat voelt hij een complete stroom van energie door zijn armen schieten. En ik voel ook de energie uit mij naar hem stromen als was ze een woest kolkende rivier. Magie, lijkt het wel. We vliegen elkaar in de armen. Ik had nooit gedacht dat ik zo intiem kon zijn met een man. Maar het lukt me wel; als vanzelf. Zelfs als gedurende een latere sessie een homofiele groepsgenoot in huilen uitbarst vanwege een inzicht leg ik mijn hand op zijn been en hij verstrengelt zijn vingers met de mijne. Zo zitten we daar. Ik streel hem, teder. Het is goed zo.

De volgende dag tijdens de lunch wordt ik door twee groepsgenoten die aan weerszijden van me zitten met dezelfde observatie geconfronteerd. “Als je vertelt over wat er in je leeft is het net alsof je het voorleest. Alsof het tweedimensionaal is in plaats van driedimensionaal. Je verhaal klopt verder wel, maar ik voel er niets bij”. Ik schiet nog even de begripvolle verdediging in, maar heb al snel door dat ik dit niet ga winnen. Daarvoor zit er veel te veel waarheid in wat deze dames tegen me zeggen. Zenuwachtig rook ik een sigaret buiten in het bos na de lunch en maal en maal en maal. De oorspronkelijke hulpvraag die ik voor dit blok had neergelegd luidde “hoe kan ik ervoor zorgen dat mijn gevoel weer gaat stromen?”. De ware hulpvraag, zo realiseer ik me tijdens het wandelen, is echter een hele andere: hoe ga ik op een waardige manier de confrontatie aan met wat er op mijn pad komt? En door deze vraag te stellen ontvouwt zich ineens een heel ander palet. Als het te spannend of te serieus word dan heb ik de neiging te vluchten. Veelal door het maken van een grapje (en gelukkig beschik ik over een enorme dosis gevatheid en humor dus deze strategie werkt in de regel erg goed), in de liefde vaak door het aannemen van een hele aanhankelijke pose (geborgenheid oproepen om mijn angst voor seksualiteit en dus overgave te verbergen) en in conflict vaak door dermate veel mee te buigen of juist door er helemaal met twee benen in te gaan, ongeacht of dit me de relatie met de persoon in kwestie kan kosten. Maar steeds, steeds ga ik waar het werkelijk om draait niet aan. Niet echt. En door deze strategie aan te hangen is het ook logisch dat het lijkt alsof ik niets voel. Want ook gevoel wegdrukken is een manier om iets niet aan te gaan. “Born to run” van Springsteen zou mijn lijflied moeten zijn.

Tijdens dag 3 breek ik tenslotte echt en valt er niet meer te “runnen”. Dat gebeurt als eerste als we een oefening moeten doen in tweetallen waarbij één iemand danst op muziek met de ogen dicht en de andere de danser moet beschermen. De aanblik van de dame voor me die zo naakt, puur, kwetsbaar en in het volste vertrouwen voor me beweegt op de tonen raakt me tot in het diepste van mijn zijn. Ik voel de tranen in mijn ogen en de enorme brok in mijn keel als ik haar zo zie. En als de laatste tonen wegsterven en de dame haar ogen weer opent vlieg ik haar om de nek. Zoveel liefde die ik voel! Ik stroom bijna over! Nog nooit bezag ik een mens zoals nu, op dat moment.

Daarna is er een oefening die “het orakel raadplegen” wordt genoemd. Deze oefening behelst de ene helft van de groep die in opperste staat van meditatie, met gesloten ogen, in een cirkel van stoelen in het midden van de zaal zit en de andere helft die een voorwerp in de hand moet nemen en zich moet concentreren op de eigen hulpvraag. Ik wriemel in m’n binnenzak en tref daar alleen de huissleutel aan. Maar, als ik ‘m pak, zie ik plots dat er ook nog de sleutel van de sleutelkast van mijn bureau op Het Bastion aan de sleutelring zit. Dat doet het en plots barst ik in snikken uit. De tranen stromen over mijn wangen en voor het eerst in al die tijd voel ik me heel erg klein en kwetsbaar. Voel ik de pijn die ik in mijn tijd daar heb gevoeld. De spelletjes en de intriges die erop gericht waren om mij als mens onderuit te halen en hoe ik steeds maar niet had teruggevochten. Het gevoel van onrechtvaardigheid. Hoe hard ik daar steeds maar was geslagen en hoe ik elke klap steeds maar had geïncasseerd al kostte het me bijna mijn eigen gezondheid. Ik knijp de sleutel bijna fijn in mijn knuist terwijl de tranen maar blijven komen. En komen. En komen.

Ik ga zitten voor één van de mensen in de middelste kring en leg de sleutel in haar hand. Ze kan niet zien wie ik ben en bevoelt de sleutel met beiden handen. Dan spreekt ze tenslotte “Ik zie een huis. Een huis met een raam en een deur. Soms is de deur open, meestal is de deur dicht. Buiten het huis is een hele grote wereld waar je kunt staan en overal waar je staat is jouw plekje. Overal is het goed. Er zit ook geen dak op het huis en er is toch ontzettend veel warmte. Ik zie en voel zoveel moois in dat huis. De liefde daar is bijna overweldigend. Zo mooi! Zo prachtig! Zo vol!”. En zo gaat ze nog een tijdje door met woorden die als muzieknoten de balken van mijn gemoed vullen. Als de vijf minuten die we hebben tenslotte voorbij zijn opent ze haar ogen en die staan vol met tranen. Ze schrikt als ze ziet dat ik voor haar zit. “Ik wist dat jij het was! Ik voelde gewoon dat jij het was! Zo mooi! Zo mooi!” en ze vliegt me om de nek terwijl mijn tranen nog steeds stromen. Ik ben aan het einde van de knuffel al helemaal weggesmolten door al het gevoel wat er door me heen stroomt.

Dan moet ik hetzelfde doen bij een onzichtbaar iemand voor me op de grond en als die een voorwerp in mijn handen legt is al mijn angst dat ik geen beelden door zou krijgen helemaal weg. Ik vertel haar wat ik zie al kan ik er zelf geen chocola van maken. Beelden van een vrouw die door het ruisende, gele koren rent met een aantal kinderen achter haar aan. Blij, gelukkig, vol zonlicht op weg naar een ruisende beek in het dal verderop. “En je hoeft niet bang te zijn” zeg ik haar, “want je vriendjes zijn altijd bij je. Je vriendjes in het koren”. Als ik de ogen open zit er een groepsgenote met tranen in haar ogen voor me. “Dankjewel” zegt ze en vliegt me om de nek. De vrouw uit Twente met vier kinderen. Het koren, de kinderen, ik had ze gezien. “Weet je wat mijn vraag was?” zegt ze. “Mijn vraag was wat ik nodig had om mijn gevoel weer te laten stromen. De rivier, mijn omgeving, mijn kinderen” en dan knuffelt ze me weer. Er is magie aan het werk in de kamer en het gevoel van pure nederigheid en dankbaarheid vult de ruimte. Ik voel me helemaal slap.

Na drie intense dagen Groesbeek reis ik af naar mijn ouders in Hoogeveen omdat ik daar op zondag mijn verjaardag zal vieren. Ik had erg met die keuze in mijn maag gezeten. In de regel zijn de blokken bij het ITIP al behoorlijk intens en heb ik wat tijd nodig om weer op adem te komen, maar met mijn reis naar het huis van mijn ouders werp ik mezelf wel heel erg in het hol van de leeuw. Met name mijn vader is wars van alles wat in zijn ogen naar “therapie” of “religie” riekt en eerdere pogingen van mij om tot hem door te dringen resulteerden al in de opmerking dat het “een sekte was die gebruik maakte van massahysterie”. Op eenzelfde begripvolle wijze ging hij al eerder om met toen mijn zus aan een wisse dood was ontsnapt en God had gevonden en in haar leven had toegelaten. Zeker nu, na drie dagen die me op m’n kwetsbaarst hadden gemaakt, was het vooruitzicht het zelfs maar over Groesbeek te hebben verre van aanlokkelijk. Op station Nijmegen had ik  nog even getwijfeld, maar tenslotte was ik toch maar op de trein naar Hoogeveen gestapt. Als mijn reis lag ik in het leren niet meer te vluchten voor de confrontatie, dan kon ik maar beter meteen de Moeder Aller Confrontaties aangaan: die bij mijn ouders.

Er is hachee, rode kool en aardappelpuree als ik aankom. Moeder heeft haar best gedaan voor haar jongste en om te vieren dat ik er ben is er ook nog eens wijn bij het eten. Een feestelijke binnenkomer en de liefheid die uit dat gebaar spreekt ontgaat me dan ook zeer zeker niet en raakt me in mijn kwetsbare staat van zijn extra diep. We praten even over de koetjes en kalfjes van deze wereld totdat het gesprek dan uiteindelijk toch op Groesbeek uitkomt. Onvermijdelijk. Het is ma die het aansnijdt. Op het moment dat ik begin te vertellen verandert de mimiek van mijn vader meteen. Hij draait een kwartslag aan de eetkamertafel, begint met de dop van de wijnfles te spelen en een smalende, geringschattende grijns verschijnt er op zijn gezicht. Ik ga nog even door met het vertellen van feitelijkheden, rechtvaardigingen eigenlijk, totdat ik dan toch de moed opvat om het te benoemen. En dat lukt me niet zonder in huilen uit te barsten. Intens verdriet overspoelt me. Ik vertel, uit het hart, hoe ik al dagen aan had zitten hikken om na het ITIP hier te komen. Dat ik toch was gekomen omdat dit belangrijk voor me was en omdat ik wil dat de relatie met mijn ouders zodanig is dat ik met hen wat belangrijk voor me is kan delen. Dat ik hier was gekomen omdat ik niet uit wilde gaan van mijn aanname dat ik met hoon zou worden bejegend door pa, maar dat ik, juist omdat het mijn vader is, wilde uitgaan van het goede. En dat het me zo ontzettend veel pijn deed dat mijn aanname dan toch werkelijkheid was geworden. En dat ik daar nu zoveel verdriet om voelde.

Toen barstte de bom.

Mijn vader rent weg van de tafel en gaat zitten op de bank. Mijn moeder rent achter hem aan terwijl ik nog meer in huilen uitbarst. “Het is KLAAR!” schreeuwt mijn vader. “Ik maak er een eind aan! Nu!” Ik weet niet eens meer hoe of wat mijn moeder op hem inpraatte. “Je hebt geen idee hoe ik verlang naar de dood! Hoe ik daar naar uitzie!”. En dat wordt gevolgd door een opsomming van gebeurtenissen die zich binnen onze familie hebben voltrokken waaruit zoveel haat spreekt dat ik me amper kan voorstellen dat dit mijn vader is die daar op de bank zit. Weer twijfel ik. Mijn eerste, instinctieve, reactie is weg te gaan uit dit huis. Om mijn broer en mijn zus te bellen en ze te zeggen dat het feest van morgen niet doorgaat omdat het hier helemaal gierend uit de klauwen aan het lopen is. Maar dat doe ik niet. Ik loop naar mijn vader en begi n te pareren. Zoekend naar een opening temidden van de stroom van hatelijkheden en doodswensen die hij de kamer instuurt, in het bijzijn van zijn vrouw en zijn kind. En, welhaast alsof een Hogere Macht ingrijpt, dient die opening zich plots aan. Mijn vader, nu liggend op de bank, barst in huilen uit. Ik kniel naast de bank en neem hem in mijn armen, Houd hem dicht tegen me aan, leg zijn hoofd op mijn schouder en knuffel hem. De lieve, nu volkomen onmachtige man, schokt als ik hem vasthoudt. “Ik heb gefaald als vader!”, huilt hij naar me. “Je zegt zelf dat ik het niet goed gedaan heb!”. Maar dat is niet zo. Dat is niet en nooit het verwijt dat ik richting mijn vader heb gevoeld laat staan wat ik nu naar hem heb uitgesproken. “Nee pa, dat heb ik niet gezegd. Ik heb een andere boodschap uitgezonden naar je en dat weet je zelf ook wel”. We huilen allebei, in elkaars armen. En zo, langzaam maar zeker, sluipt de zachtheid in wat eens conflict was. Er is even nog de woede van mijn kant als hij zegt dat ik “slap” ben en “meteen in paniek raak. Je zus zegt het ook”. Ik barst los en ram hard in de bank, schreeuwend dat als er 1 iemand in dit gezin is die het begrip van “hard” kent, ik dat wel ben. Want ik doe ALLES alleen, en ik VREET alles alleen en ik verwerk alles aan pijn, verdriet, woede en blijdschap op mijn pad ALLEEN dus als ik een keer in de stress schiet is dat niet omdat ik SLAP ben maar omdat de ketel dan echt compleet vol is. Denkt hij soms dat het een lolletje is om op je 37e te zitten in de situatie waarin ik zit? Denkt hij dat echt?? Denkt hij dat ik voor de lol bij Het Bastion ben weggegaan? Heeft hij enig idee dat ik op de rand van een burnout balanceerde en dat ik deze keuze wel MOEST maken? Heeft hij enig idee hoe het is om compleet alleen te zijn, alles maar te moeten doorstaan en niet om hulp te kunnen vragen? “Maar je moet mij dan om hulp vragen” schreit hij. “Ik wil je zo graag helpen!! Ik zou zo een tweede hypotheek op het huis nemen om maar te zorgen dat jij je huis niet verliest. Ik lig nachten wakker om jou omdat ik zo bang ben dat het helemaal niet goed gaat”. En dan barsten we allebei weer in huilen uit. De zachtheid keert weer terug. We praten nu. Van hart tot hart.

En zo praten we de rest van de avond. In liefde, in waardigheid en in respect. En we luisteren naar elkaar, begrijpen elkaar, komen tot elkaar, halen de angel uit waar nog een angel in zat ook al lag die jaren terug. Ik weet mijn vader gerust te stellen dat hij als vader op geen moment gefaald heeft en dat ik dat ook niet zo voel. Dat ik als mens zoekende ben naar een gevoel van thuiskomen: in werk, in relaties, in mijn leven. Dat me dit niet meer lukte en dat ik daarom ook het ITIP ben gaan doen. Niet als sneer aan het ouderlijk adres, maar als hulpmiddel tot verdere ontwikkeling van mezelf. We praten over passie en over hoe mijn vader altijd de zijne had gevolgd. Hoe hij had gemeend dat die passie ook die van zijn kinderen zou zijn, maar hoe een mengelmoes van vader- en moederbloed nu eenmaal een ander drankje oplevert dan die van het vaderbloed alleen. Dat de tijden zijn veranderd en dat ook dit invloed heeft. Hoe ik van bijna iedereen die ik ontmoet hoor dat het hen een compleet raadsel is dat ik me bezig houd met zaken als (project-)management of financiën, gezien de talenten die ik blijkbaar zo overduidelijk heb. Dat ik geen moeite heb met weerstand in mijn werk, maar dat weerstanden vestingen worden als je vecht voor iets waarin je eigenlijk zelf helemaal niet gelooft. En dat ik bij Het Bastion in niets geloofde wat daar gebeurde. Dat ook ik worstel met het feit dat ik maar geen baan kan vinden,dat dit ook inhakt op mijn gevoel van eigenwaarde, maar dat het met de financiële buffers wel snor zit. Ik neem geen impulsbeslissingen als het op dat soort dingen aankomt. En pa vertelt over zijn voornaamste zorg: dat zijn kinderen bij hem wegdrijven omdat hij onzeker is over zichzelf en over de manier waarop hij zijn kinderen de wereld in heeft gestuurd. De ergste vrees, denk ik, van iedere ouder die oprecht van zijn kinderen houdt en die juist daarom aanstuurt op wat ook hem verder heeft gebracht in dit leven. De drijfveer van de rigide karakterstructuur: controle op de omgeving maar niet op zichzelf. Er zit zelden een negatieve gedachte achter welke handeling dan ook en ook die van mijn vader, al riep hij wat hij riep, is in basis een positieve. Dat is al dat telt. Liefde.

Als ik ver na twaalven naar bed ga is de relatie zoveel rijker dan hij was en het lukt me te gaan slapen al tril ik nog na van alles wat er op me af is gekomen in de afgelopen dagen.

Het verjaarsfeest de volgende dag is dan toch nog een gezellig samenzijn. Ik ben verwend door mijn familie en heb leuke gesprekken met mijn zus, mijn neefjes en mijn zwager. Mijn oudste nichtje heeft een inkijkexemplaar mee van haar eerste boek en, apetrots, bestel ik een gesigneerd exemplaar voor mezelf bij haar. Met mijn broer en mijn schoonzus komt het helaas niet meer tot gesprekken, maar die zullen we later nog wel voeren in een meer intieme setting. Broertie heeft immers drie nieuwe whiskeys op de kop weten te tikken en vagevuur zal op me wachten als ik daarvan niet enkele slokken tot me zal nemen bij hen thuis. Mijn schoonzus, die ook de opleiding aan het ITIP heeft gevolgd, heeft, samen met mijn zus, een waardevol gesprek met mijn vader die open vertelt over wat er gisteren gebeurd is en die daar nu in complete vrede mee is. Mijn zus vertrouwd me nog toe dat ze juist bijbelgerelateerde boeken opbergt als pa en ma op bezoek komen, maar ik moedig haar aan dat juist niet te doen. “Het is belangrijk voor jou en in jouw leven en het is daarom extra belangrijk dat het ook een plek krijgt in je relatie met pa. We mogen laten zien wat en wie we zijn, zonder schaamte. Dat is de relatie die dit gezin waardig is”. Schoonzus komt later nog kort bij me terug op het gesprek van de zaterdagavond en ik geef toe dat het allemaal nog moet landen. Dat moet het ook want het was heftig. Wat hier in tekst staat kan en zal nooit recht doen aan de intensiteit die zich op de zaterdagavond heeft afgespeeld. Zowel in negatieve als in zeer positieve zin.

Mijn ouders hadden zich voorgenomen mij naar huis te brengen op maandag, maar dat aanbod wijs ik, bezwaard, af. Ik merk dat ik behoefte heb om alles even te laten landen en als ik weer thuis ben na een voorspoedige treinreis merk ik dat ook aan mijn lijf. Emotioneel belangrijke mails van groepsgenoot H. en compadre M. weet ik niet op de juiste wijze te beantwoorden omdat alles in me even gericht is op de wervelstorm die zich intern voltrekt. Ik heb het ook koud en voel me heel fragiel. Er zijn hele belangrijke dingen gebeurd in de afgelopen dagen en die verdienen een waardige landing.

Hartverwarmend zijn de mails die ik krijg van vier ex-collega’s (3 van Het Bastion) die me een feliciteren met mijn verjaardag en die de wens uitspreken me snel weer te spreken. Ondanks alle strubbelingen die ik daar heb ondervonden zijn hier blijkbaar toch enkele diamantjes uit ontstaan. Blijkbaar ben ik niet altijd en tegen iedereen de lul waarvoor ik mezelf wel eens aan zie. Normaliter zou dat wellicht wat minder zijn binnengekomen, maar vandaag staan al mijn antennes op vol ontvangst en doorvoel ik wat binnenkomt. Daar tegenover staat een afwijzing vanuit een procedure die ik via een headhunter had lopen voor een functie die ik in basis toch helemaal niet aantrekkelijk vond. Dat glijdt langs me weg zoals het dat eigenlijk bij de introductie al gedaan had.

Het is het einde van de maandag. De megashuffle streelt zachtjes de speakers op mijn computerkamer en ik herlees nog eens de hartverwarmende mail die ik van mijn “helper” mocht ontvangen naar aanleiding van haar hemels directe feedback gedurende het ITIP en haar generieke observatie van mijn persoon. Zonder haar hiervoor om toestemming te vragen quote ik:

Soms zie ik glimpjes van zo veel potentie; de manier waarop je dingen verwoorden kan bijvoorbeeld, de kennis die je hebt en de ideeën die je gevormd hebt.

Snel daarna gaat dat weer schuil achter een grote dikke muur voor mijn gevoel.

Vind ik jammer vooral voor jou maar ook (in zekere zin) voor je omgeving.

Ik zat er wel mee dat mede ik je geconfronteerd had en je daarmee misschien wel tegen je wil naar een bepaald punt/inzicht had geduwd op een moment dat je de relatief veilige omgeving in Groesbeek weer ging verlaten. Mocht ik iets voor je kunnen betekenen; let me know.

Als je dat soort feedback mag ontvangen van iemand die gul genoeg is die met je te delen, dan weet je dat je eigenlijk een bevoorrecht mens bent. En zo voel ik me ook. Vandaag. Aan mij om dit gevoel te verankeren tot basis van waaruit ik verder zal gaan.

Het gevoel dat overheerst is dankbaarheid. Nederigheid. Het gevoel deel uit te maken van een hele bijzondere eenheid van mensen. Daarvan maakte ik al deel uit, maar ervaren deed ik het niet op die wijze. Maar nu wel.

En daarmee sluit ik vandaag af. Ik heb geen weet van hoe ik morgen wakker zal worden, maar ik moet leren vertrouwen op de liefde, op de zorg en op de hulp die er is als ik er maar vanuit de ziel om vraag. Of die me al wordt aangeboden zonder enig voorbehoud.

Woorden kunnen niet vatten wat de afgelopen dagen mij brachten, dus ik hoop dat mijn gevoel zal resoneren als ik dit later nog eens terug zal lezen. Dat het de trilling zal veroorzaken die me zal brengen waar ik voel dat ik moet zijn: hier, nu, bij mezelf.

In liefde. In waarheid.

Maandag, 28 december 2009

Ik heb mezelf de feestdagen nog gegeven en daarna is het echt uit met de “pret”. De broeken gingen al wat strakker zitten, sommige blouses kon ik al echt niet meer aan en nu, als laatste zetje, kijk ik naar een foto van mezelf van een jaar geleden: 10 kilo lichter en met een behoorlijk smaller bekkie. Hoe heeft het zo ver met me kunnen komen? Nu ja, dat weet ik ook eigenlijk wel.

Hoe dan ook: dit moet en gaat stoppen. Morgenochtend start ik met joggen en als ik de oliebollen van aankomende donderdag achter de kiezen heb dan gaat ook de vreetschuur op slot. Enough is enough!

De laatste week van 2009 is inmiddels ingegaan en waar ik in het vorige blog nog weigerde de balans op te maken ten aanzien van het afgelopen jaar, ontkom ik er dit keer toch echt niet aan. Wat te zeggen alleen? Er gebeurde zoveel en toch eigenlijk ook zo weinig. Het voelt alsof dit jaar me een beetje ontglipt is. Alsof het er wel was maar ook weer niet. Vleesch noch visch eigenlijk. Of misschien is dat gevoel niet helemaal terecht? Laat ik de binnenkamer eens raadplegen en zien wat een chronologische opsomming me doet concluderen.

Ik startte het jaar in een huis aan de Amsterdamsestraatweg, ergens op een kleine kamer op de tweede verdieping die door een (als ik me niet vergis) Pakistaanse familie werd onderverhuurd. Met mij, op de grond gezeten aan een kleine vierkante tafel die stijf stond van de hapjes en alles wat er nog meer op paste, waren twee vrouwen. De ene had ik van z’n langzalzeleven nog niet gezien (en zou ik daarna ook niet weerzien), de andere was mijn kersverse vriendinnetje; de eerste na weer eens een “vrouw-sabbatical” van, in dit geval, 1,5 jaar. We gingen dansen die nieuwjaarsnacht en ik kan me herinneren dat we allen al behoorlijk in de olie waren toen we uiteindelijk op de plek van bestemming aankwamen. Het was de eerste Oud en Nieuw in Nederland dat je niet meer in de horeca mocht roken, al leek dat het merendeel van de aanwezigen niet zo heel erg te storen daar getuige de blauwe rookslierten die her en daar opstegen naar het plafond. Ook dat is Nederland immers. Moralistisch, maar schijt aan alles.

Ik kan me herinneren dat de voor mij onbekende dame al tijdig naar huis ging omdat ze haar “vriendje” miste (een jongen die ze nog nooit had gezien of gesproken, maar die ze alleen van Hyves en van de vele smsjes waarin hij aangaf dan weer in New York dan weer in Italië te zitten kende. Twee maanden hadden ze al contact en elke poging tot een afspraak strandde op excuses van hem dat het niet schikte. Vele smsjes werden sowieso niet beantwoord door hem. Dat hier iemand in de maling werd genomen moge duidelijk zijn. Dat ze ook zichzelf in de maling zat te nemen leek niet helemaal bij haar door te dringen; helaas) en dat mijn toenmalige vriendin en ik iets van anderhalf uur hebben staan te blauwbekken omdat de taxi die we naderhand hadden besteld simpelweg niet kwam opdagen. Maar uiteindelijk kwam ‘ie toch in de vorm van een heus busje en reed zij met mij mee naar huis waar ze gedurende twee maanden ook vrijwel niet meer wegging.

Dus, tja, dat voelde als samenwonen, zo aan het begin van het jaar. Samen eten, samen in de woonkamer, samen naar bed, samen boodschappen doen: mijn toenmalige vriendinnetje had zich vrijwel ongemerkt hier geïnstalleerd en dat al na krap een week. Mijn herinneringen aan die tijd zijn grotendeels positief. Het huis kreeg een beetje meer kleur leek het wel en het voelde sowieso meer als een “echt” huis nu er iemand anders rondliep die extra bedrijvigheid met zich meebracht. Op de één of andere manier wil je het toch wat meer gezellig maken als je met z’n tweetjes bent lijkt het wel en lang dineren met kaarslicht erbij werd dan ook een beetje de norm in die tijd. Dat het uiteindelijk voor mijn gevoel allemaal toch strandde had met zoveel factoren te maken, maar basaal gewoon met het feit dat ik voelde dat we als mensen simpelweg te anders waren en ook te anders in het leven stonden. Het gevoel van “nestgeur” ontbrak. Dat kan en dat is niet erg verder. Begin maart hakte ik de knoop door en zo kon het gebeuren dat mijn vierde poging tot het hebben van een relatie ditmaal niet na tien maanden maar al na tien weken werd geaborteerd. Ik begrijp dat ze inmiddels alweer enige maanden met een andere man samenwoont en dat ze zelfs al zwanger is van hem. Dit sterkt me in mijn gevoel de juiste keuze te hebben gemaakt op basis van de juiste gronden destijds.

Ik was werkzaam bij Het Bastion (zoals ik de firma voor dit blog maar heb genoemd) en de eerste maanden daar hadden me weinig tot niet bevredigd. Het gehalte aan politiek was immens, sommige relaties met mensen met wie ik werd geacht nauw samen te werken waren al luttele weken na mijn start daar bijzonder gespannen en de projecten die ik werd geacht te leiden sloegen in mijn ogen helemaal nergens op. Ondanks een korte opleving van enthousiasme in december/januari vanwege de livegang van een project, merkte ik vanaf februari alweer dat ik elke ochtend weer een stukje meer moeite had om mezelf uit bed te hijsen. De feedback op mijn persoon die ik kreeg van mijn leidinggevende deed mijn enthousiasme evenmin aanwakkeren. Ik stelde de commentaren die hij op me had losgelaten op schrift en stuurde ze naar twee vrienden (beiden ex-collega’s) en naar een voormalig leidinggevende met een begeleidende vraag: ben ik dit? Ik kreeg van alledrie de bevestiging dat zij mij hierin niet of nauwelijks herkenden.

En toch was mijn leidinggevende wel degelijk zuiver, zij het wat eenzijdig, geweest in z’n analyse. Ik was dit namelijk wel binnen Het Bastion. Toen ik in april op een cursus, met als thema “focus vinden voor dertigers”, ging vielen alle puzzelstukjes uiteindelijk op hun plaats en durfde ik voor het eerst openlijk te uiten dat ik bij Het Bastion echt helemaal op de verkeerde plek zat. En als me die uiting nog niet over de streep had getrokken, dan zou de eerste stuurgroepvergadering die ik na de training voorzat dit alsnog wel hebben gedaan. Ik zal om redenen van discretie niet gaan bloggen over het waarom hiervan, maar weet dat ik mijn hele lijf weer voel verkrampen als ik er alleen al aan terugdenk.

Alvorens definitief mijn ontslag in te dienen nam ik enkele avonden de tijd om me te bezinnen op een volgende stap. Met het opzeggen van deze baan zette ik immers een trend voort die nu al twee banen gaande was, namelijk ontslag nemen na ongeveer een jaar. Steeds met een voor mij valide reden, maar toch. Misschien wilde Het Lot me wel iets duidelijk maken. Hoe dan ook zette ik de pen eens op papier om te zien wat er allemaal bij me opkwam.

Eén van de eerste dingen die ik neerschreef was dat ik het verlangen had om nog eens een boek te schrijven. Ik had geen idee of ik dat überhaupt in me had, maar ik wist wel dat ik al als jochie van acht m’n eerste verhaaltjes aan het schrijven was en dat ik ook in mijn latere leven, op mijn diverse blogs hier, reacties kreeg van mensen die genoten van m’n schrijfstijl en die wel benieuwd waren hoe ik het in boekvorm zou “doen”. Als schrijven dan toch één van de talenten is, waarom dan niet kijken of ik er iets mee kan doen dan alleen maar bloggen.

Ik had gehoopt op een langere lijst van dingen die ik wilde gaan oppakken, maar nadat ik voor mezelf had bepaald dat een boek schrijven een hoge prioriteit had, werd het opeens opvallend stil en bleef ik hangen in de bedreigingen. In de loop der jaren had ik bijvoorbeeld vaak te horen gekregen dat ik het vast goed zou doen als zelfstandige, maar ik had geen flauw idee waarin dan. Of dat ik zoveel muziek maakte en dat ook dit wellicht uit zou kunnen groeien tot meer dan een hobby. Maar ja, ik zing of speel nu ook weer niet echt op professioneel niveau, dus wat dan te doen? En er zat natuurlijk ook nog een component in dat ik nu niet echt bepaald slecht was geweest in wat ik allemaal uitspookte in loondienst. Dat ik er ook wel lol in had gehad en dat het daarnaast ook altijd voortreffelijk betaald had. Wilde ik het uiteindelijk wel stellen zonder die luxe?

Ik besloot dat ik omtrent al deze dingen nog wel het één en ander aan soul searching te doen had en dat ik hier ook niet uit zou zijn na een paar avonden diep nadenken. Dit zou een proces gaan worden. Wat ik wel wist, was dat ik niet langer kon blijven bij Het Bastion. Niet als mijn gezondheid me lief was in ieder geval. Sinds maart was ik weer sporadisch begonnen met hyperventileren namelijk en het feit dat ik merkte dat ik ging slapen met gebalde vuisten voorspelde ook al niet veel goeds. Ik was al eens burnout geraakt en herken sindsdien subiet de tekenen als het weer die kant op dreigt te gaan. En dat ging het.

Toen ik mijn leidinggevende informeerde over mijn besluit en mijn motivatie daartoe, was de reactie zijnerzijds er primair eentje van spijt. Ook mijn directe collega’s vonden het jammer dat ik tot dit besluit had moeten komen, maar complimenteerden mij met mijn moed een vaste baan in te ruilen voor het najagen van een droom. Maar als moedig heeft het voor mij nooit gevoeld.

Voor mij voelde het meer als een bittere noodzaak. En als falen.

Ik verliet eind juli Het Bastion met kado’s, een afscheidslunch en een getuigschrift waar menigeen stikjaloers op zou worden. En ik verliet Het Bastion eind juli als een bittere, cynische en moegestreden man. Als het complete tegenovergestelde van de uitbundige, vrolijke en levenslustige vent die ik 12 maanden daarvoor nog was geweest. Toen had het gevoeld alsof de wereld aan mijn voeten lag. Maar na mijn tijd bij Het Bastion voelde ik alleen nog maar leegte en gif. Ik geloof niet dat ik ooit goed zal kunnen beschrijven wat die tijd daar met me gedaan heeft, maar mijn schoonzus vertelde me dat ze mijn ogen nog nooit zo woest brandend had gezien als wanneer ik het had over weer eens een conflict daar. Het zat diep. Heel diep.

De eerste maand thuis schreef ik niets. Ik sliep veel en lang en probeerde te genieten van het stralende weer buiten. De dagen gleden voorbij en als er iemand belde om te vragen hoe het was met mijn boek dan voelde ik subiet de aandrang om me te verdedigen en om mijn non-produktiviteit te rechtvaardigen. Wat was gestart als een poging om een droom na te jagen voelde al snel als een door de buitenwereld opgelegde verplichting. Want als het boek niet af zou komen, dan had ik andermaal gefaald immers? Het feit dat mijn ouders me openlijk niet steunden in mijn beslissing droeg ook al niet in positieve zin bij. Ik stond weer met twee benen in de valkuil die ik sinds mijn burnout, zeven jaar geleden, steeds zo krampachtig had proberen te vermijden: de anderwaarde. De tijd die ik voor mezelf had besloten te nemen zou wel eens iets heel anders kunnen gaan opleveren dan een boek.

De relatie die ik in 2007 beëindigde met P. had ik nooit echt goed tot rust kunnen leggen. Iets in mij had al die jaren moeite om te accepteren dat iets wat zo magisch en mooi was begonnen zo bitter en onvermijdelijk had kunnen eindigen. Alsof Het Lot ook hier me weer een handje wilde helpen kwam P. in levende lijve weer op m’n pad ergens in april. Net het meest extravagante feest waar ik van m’n leven was geweest verlatende, in de catacomben van het voormalige stadhuis van Utrecht, kreeg ik van haar een sms met de vraag wat ik allemaal aan het doen was. Dat zette zich voort in een telefoongesprek waarin ze me uiteindelijk uitnodigde om langs te komen, hetgeen ik vervolgens, behoorlijk in de olie, ook deed. Wat er die nacht tussen ons gebeurde was eigenlijk weer net zo vanzelfsprekend als dat het de eerste keer was geweest. Alsof er geen jaren maar slechts dagen hadden gezeten tussen die nacht en de laatste keer dat wij elkaar zagen; zovele jaren geleden.

Na die nacht bleven we contact houden, zagen we elkaar vaker en groeiden we weer dichter naar elkaar toe. P. had duidelijk aangegeven dat dit wat haar betreft geen relatie mocht zijn omdat ze daarvoor niet klaar was, maar eigenlijk voelde het in alles wel zo. We gingen ook als zodanig met elkaar om en op enig moment zagen we elkaar iets van drie keer in de week.

De bom barstte uiteindelijk begin september toen P. aangaf dat dit moest stoppen. Zoals dat ook al was gebeurd al die jaren geleden toen ze van de ene dag op de andere was omgeslagen als een blad aan de boom in haar houding naar mij, was het ook dit keer iets waar ik de vinger niet op kon leggen. Het deed pijn omdat ik me toch wel aan haar was gaan hechten, maar na een vrij ontnuchterend telefoongesprek met haar was het alsof alle stukjes voor mij ineens op hun plaats vielen. Ik was eindelijk in staat om dit verhaal te grave te dragen once and for all.

Zonder baan, zonder relatie en worstelende met de vraag welke koers mijn schip moest gaan varen in de jaren hierna, kwam voor de derde keer in mijn leven het ITIP op m’n pad. Ditmaal via mijn schoonzus met wie ik een vrij intens gesprek had gedurende het weekendje weg ter ere van de 50-jarige bruiloft van m’n ouders. Op de één of andere manier leek het dit keer wel te passen bij waar ik mee bezig was. Al jaren liep ik aan tegen dezelfde thema’s, ging ik er op vrijwel dezelfde manier mee om en als gevolg daarvan kreeg ik ook steeds hetzelfde resultaat. Ergens moest er iets veranderen en het werd tijd dat ik aan mezelf toegaf dat ik dit in m’n eentje niet zou gaan redden.

Na het weekend vroeg ik een intake aan, zag in dat gesprek bevestigd wat ik al dacht en twee weken later zat ik al in de bossen van Groesbeek voor m’n eerste, energiegevende blok. En meteen na dit eerste blok merkte ik al iets van een verandering. De bitterheid nam af, de energie nam iets meer toe en door de bank genomen voelde ik me wat meer positief dan ik me in maanden had gevoeld. Het voelde alsof ik in ieder geval aan “de weg terug” was begonnen. Dat was op zich hoopgevend.

Ik zag dit jaar twee oude jeugdvrienden terug. Twee ontmoetingen, twee innige omarmingen ergens op twee stations in den lande.Geheven glazen, dezelfde humor als toen en met name een warme kijk terug op het verleden en het openzetten van een deur naar de toekomst. Beide ontmoetingen hebben veel indruk op me gemaakt en ik vind het bijzonder om te zien en te voelen hoe makkelijk we weer onderdeel van elkaars leven zijn geworden. Al is de vorm waarop natuurlijk niet meer als toen. Dat kan ook niet. Hoeft ook niet. Hen weer te kennen is al een geschenk op zich.

Dit jaar werd, in aantal, niet zo’n spetterend concertjaar als 2008. Ook de impact van de optredens die ik wel heb gezien was minder dan die van het jaar hiervoor. Wat maakte echt diepe indruk? Waar was ik echt razendenthousiast over? Het valt mee. Het is niet zo dat ik ook maar een slecht concert heb gezien dit jaar, dat zeker niet, maar knallers zoals de optredens van Novastar, Hooverphonic en, met name, Symphony X van vorig jaar zaten er dit jaar niet tussen.

Qua boeken raakte ik dit jaar helemaal in de ban van Haruki Murakami en Carlos Ruiz Zafon. Twee meesters in de vertelling die erom schreeuwen verder ontdekt te worden. Vooral het boek “De opwindvogelkronieken” van Murakami was er eentje die ik niet weg heb kunnen leggen. Als je dat als schrijver voor elkaar krijgt bij je lezer doe je toch echt iets heel erg goed!

En dan de jaarlijkse top 10 qua muziek. Een hele lastige dit jaar omdat er maar heel weinig CD’s zijn geweest die ik echt van start to finish heb beluisterd, laat staan een tweede keer heb beluisterd. Met de shufflefuncties op zowel de Ipod als de Squeezebox in de woonkamer merk ik toch dat het luisteren van een album in z’n geheel er vaak niet van komt. Wel luister ik elke avond in bed voor het slapen gaan een CD op m’n Ipod, maar dat zijn in de regel platen waar je echt geconcentreerd naar moet luisteren. De nieuwe CD van The Flaming Lips luisterde ik op die manier, maar veelal zijn het de oudjes die voorbij komen, zoals Zappa, Gong of Univers Zero. Of Stravinski.

Dus, voor dit jaar, tien niet-willekeurige platen in willekeurige volgorde:

The Decemberists – The hazards of love

Rammstein – Liebe ist für alle da

Katatonia – Night is the new day

The Mars Volta – Octahedron

Astra – The weirding

The Deer Hunter – Act III: Life and death

Alice In Chains – Black gives way to blue

Gazpacho – Tick tock

The Flaming Lips – Embryonic

Magma – Emehntehtt-re

Kijkende naar hoe ik er nu bijzit, zo op de rand van het zinkende schip 2009, moet ik bekennen dat dit jaar toch wel bewogen was. Dit ondanks mijn gevoel aan het begin van dit blog. Toch is het voornamelijk een jaar geweest van afsluiten en niet zozeer een jaar van oppakken. Het zoeken naar een nieuwe baan bijvoorbeeld is nog steeds een lastige. Primair omdat ik eigenlijk niets zie waarvan ik laaiend word en, daaraan gelinkt, ook omdat ik voor mezelf nog steeds niet helder heb van waar ik nu eigenlijk heen wil. Ook het boek ligt redelijk stil alhoewel ik barst van de goede ideeën de afgelopen tijd. Alleen hebben geen van die ideeën betrekking op het verhaal wat ik aan het schrijven ben. Dit werkt ook niet echt mee.

Maar als ik echt heel erg eerlijk ben moet ik bekennen dat ik dit jaar afsluit zonder een duidelijk gevoel van focus in het algemeen. Ik weet domweg niet welke kant ik op wil.

Ik weet het gewoon niet.

En dat maakt dat ik dit jaar voor het eerst in m’n leven het glas ga heffen op het nieuwe jaar zonder dat ik concrete plannen heb voor wat daarna is. Er staat geen vakantie gepland, er is geen project om op te pakken, er staan geen concerten op de agenda, er is geen geliefde om een bos bloemen voor mee te nemen. Er is, kortweg, helemaal niets. En dat maakt angstig.

En benieuwd.

Lieve lezer, ik wil je bedanken dat je dit jaar zo nu en dan weer eens kwam buurten op dit blog. Dat je gul genoeg was tijd uit te trekken voor het lezen van wat hier stond en dat je soms nog guller was door ook te reageren. Maar bovenal voor het zijn van een meelevend medemens; ook dit jaar weer.

Ik wens je gezondheid toe voor het komende jaar. Geluk ook. En dat tenminste één van je wensen of voornemens maar moge uitkomen.

Pas goed op jezelf.

X

Dinsdag, 22 december 2009

De nieuwe bril!!

Img_0392just_glasses_4  

Christmas @ Casa Basa

Img_0390

Donderdag, 17 december 2009

Hier en daar worden al de eerste necrologieën geschreven voor 2009, maar daar brand ik me voor nu nog maar even niet aan. We mogen nog een dikke twee weken immers en het venijn zit ‘m in de regel altijd in de staart.

De afgelopen weken vliegt de tijd in noodtempo om en dat gaat de eerstkomende weken ook niet veranderen. Vorige week woensdag was ik op uitnodiging van Mr. T. richting Amersfoort afgereisd voor een workshop Business Information Planning ten kantore van zijn werkgever. Ik liep er de hele dag al tegenaan te hikken om te gaan, maar uiteindelijk besloot ik uit een soort van misplaatst eergevoel (ik had immers al “ja” gezegd tegen hem en wilde hem ook niet teleurstellen) me toch maar een de trip te wagen. De routekaart die ik via Internet had uitgeprint was redelijk duidelijk en als alles goed zou gaan zou ik anderhalf uur na het verlaten van de eigen stulp voor de deuren van een riant landgoed ergens in de buurt van Het Berghotel moeten staan. Het liep allemaal anders.

De reis tot en met het busstation Amersfoort ging allemaal nog wel. Toen ik echter in de bus zat naar het Meanderziekenhuis (de halte vanaf waar ik het laatste stukje zou moeten lopen) realiseerde ik me dat ik mijn tas met daarin mijn bril en mijn schrijfmap had laten staan bij de bushalte naast Amersfoort CS. Vervolgens werd ik afgezet bij het ziekenhuis waar ik me een ongeluk heb zitten zoeken naar de Utrechtseweg die daar ergens in de buurt zou moeten zijn. Na een klein kwartiertje dolen en tenslotte toch maar vragen kwam ik te weten dat er twee Meanderziekenhuizen zijn in Amersfoort en dat ik nu bij de verkeerde stond. Het juiste ziekenhuis bevond zich helemaal aan de andere kant van de stad. De bus die ik vervolgens terug moest hebben naar CS kwam niet opdagen waardoor ik een halfuur bij de halte heb staan wachten op de volgende. Weer aangekomen op het station bleek mijn tas er niet meer te staan net zomin als dat ze was afgegeven bij Gevonden Voorwerpen. Ik was op dat moment al te laat voor het eerste deel van de workshop. De bus die me er alsnog zou brengen kwam niet opdagen.

De klok in de gaten houdende realiseerde ik me dat ik zelfs al te laat zou komen voor het tweede deel van de workshop als ik alsnog zou gaan. Dat leek me niet erg zinvol, dus besloot ik maar om de trein terug te pakken naar huis. Toen ik op het perron stond had deze trein in eerste instantie 10 minuten vertraging en daarna werd er omgeroepen dat dit was omgezet in “een nog onbekende vertraging”. Uiteindelijk was ik om half negen ’s avonds thuis terwijl ik om kwart over drie ’s middags was vertrokken; dik vijf uur van m’n tijd, een aktentas, een bril en een schrijfmap lichter en zonder ook maar een woord van de workshop te hebben meegekregen. T., zo vertelde hij me later aan de telefoon, was zelf niet eens present geweest op de workshop. Daar gaat je eergevoel.

Donderdag reisde ik af voor het tweede blok van de ITIP-opleiding in Groesbeek. Hoofdthema was “de karakterstructuur” en aan de hand van de 5 archetypes van Reich werd ons uit de doeken gedaan hoe deze structuren werden opgelopen, hoe ze zich uitten en welke kenmerken erbij hoorden. Bijzonder confronterend hier en daar maar ook wel erg leerzaam. Ook was het gedurende dit tweede blok dat de groepsdynamiek zich meer liet gelden. Zo waren er de eerste irritaties hier en daar, bleek mijn “werker” (een vrouw van begin veertig, getrouwd, drie kinderen) een wel hele bijzondere aantrekking tot mij te hebben die ik niet kon en wil beantwoorden (hetgeen resulteerde in conflict met haar wat haar de opmerking ontlokte dat ze zich voelde als een “achtergelaten echtgenote”) en bleek mijn kamergenoot een meester in het scheppen van intrige en verdeeldheid hetgeen hem een bijzonder felle en koude aanvaring met mij opleverde. En zo waren er nog wat zaken die na drie dagen in het bos culmineerden in een rit terug richting Utrecht met drie medecursisten waarbij we hopeloos verdwaalden op de binnenwegen tussen Arnhem en Driebergen. Ik had de lift aangenomen omdat ik meende dan sneller thuis te zijn. Ook dat liep anders, zij het op een erg gezellige manier anders.

Met de opgedane inzichten en de twee beloftes aan m’n “helper” (starten met hardlopen en sociale contacten agenderen opdat ik ze niet vergeet) kwam ik zo weer aan in Suburbia alwaar ik, nadat ik de computer had aangezet thuis, een droge knal hoorde uit de computerkamer terwijl ik zelf net op het toilet zat. Vrezend dat het de PC zelf zou zijn liep ik de kamer binnen om te zien dat die machine het weliswaar nog wel deed, maar dat er rook kwam uit mijn thuisstudio die bovenop de kast stond. Dat bracht het aantal verliezen, met de bril, de tas, het schrijfblok en nu de thuisstudio, in één week op vier. Geschatte totaalschade: EUR 600. Kan iemand me uitleggen wat hiervan de achterliggende reden is?

Zondag ging ik naar Den Haag voor een borrel en een hapje met dinnetje B.. Prachtige dag, veel zon en een aangename temperatuur en, natuurlijk, een complete blackout bij Woerden waardoor er geen direct treinverkeer mogelijk was tussen Utrecht en Den Haag. Iedereen werd omgeleid via Schiphol. Dit leverde een vertraging op van ongeveer een uur, hetgeen me eigenlijk nog meeviel als ik het vergeleek met die ene keer dat ik vanuit Den Bosch over Breda en Rotterdam werd omgeleid naar Utrecht. Je plooit je naar je leed. Het samenzijn in Den Haag maakte echter de vertraging helemaal goed en met uitzondering van het wel erg nipt halen van de tram terug, verliep de dag verder zonder noemenswaardige incidenten (of het moet de gsm zijn geweest die gedurende het rennen naar de tramhalte met donder en geweld uit m’n jaszak donderde; gelukkig geen schade).

Maandag had ik een intake bij een headhunter in Rotterdam die me wegens ziekte afbelde op het moment dat ik al bij de bushalte stond. De afspraak ging naar de volgende dag, maar dan wat vroeger in de ochtend. Meteen werd me duidelijk dat ik niet moet gaan werken in Rotterdam. Alhoewel er hier vanuit Suburbia een rechtstreekse busverbinding is met Rotterdam, stopt deze bus echter bij halte Capelsebrug, van waaruit je met de metro moet. De metro had die ochtend te kampen met ernstige stroomstoringen waardoor er onbekende vertragingen in het verschiet lagen. Dit bleek gelukkig erg mee te vallen zodat ik niet te laat kwam voor mijn afspraak aan de Blaak. Uurtje daar gezeten, the usual CV-talk, en daarna weer weg met twee beloftes: a) mijn CV wordt doorgestuurd en b) reactie kan enige tijd op zich laten wachten omdat de verantwoordelijke man vanuit Zwitserland opereert. Redelijk vlekkeloze aansluiting terug waardoor ik om kwart voor één ’s middags weer terug was. Ik was om kwart over acht vertrokken.

Meteen bij terugkomst naar de opticien gegaan om me een nieuwe bril aan te laten meten en ontdekt dat m’n ogen, zoals ik al vermoedde, achteruit waren gegaan sinds de laatste keer dat ik daar was; 9 jaar geleden. “Deed” ik toen nog -0.5, -1, inmiddels doe ik op beide ogen -1,25. Het zal denk ik ook niet lang meer duren voordat ik sowieso standaard met een bril op zal gaan lopen. Gelukkig is de reactie daar in de regel op dat ik dan meer intelligent lijk en dat het me zelfs “sexy” zou staan. Dat compenseert dan weer met die welvaartsbuik die ik de afgelopen maanden aan het kweken ben. Dinsdag ook het kerstmenu samengesteld en gedropt bij de plaatselijke slijter die zich dan kan inlezen en kan voorbereiden zodat hij me vrijdag een passende suggestie kan doen. Heb vol vertrouwen in die man, want zijn keuzes tot dusverre zijn stuk voor stuk allemaal in de roos geweest.

Woensdag inkopen gedaan voor het menu en, tot mijn stomme verbazing, alle ingrediënten in één enkele trip kunnen verzamelen. Echt een unicum, want in de regel zijn er altijd twee of drie zaken waarvoor ik stad en land moet afreizen (frambozenazijn, anyone?). Volgens mij is het menu dit jaar ook wat minder excentriek alhoewel niet minder bewerkelijk of smakelijk. Alleen jammer dat één van de eters na de inkopen aangaf (en toen hij het me zei herinnerde ik me ook plots weer dat hij me dit twee jaar geleden ook al eens had gezegd) dat hij allergisch is voor champignons en laat één van de gangen nu juist..... Enfin, daar moet ik nog even wat op zien te verzinnen. Morgen.

Ook de kerstboom opgetuigd (die had ik, geloof ik, maandag gehaald) zodat het er weer knusjes uitziet in de huiskamerhoek. Morgen haal ik dan, met gul aangeboden hulp van Habibi, m’n eigen trouwe “wijnrijder”, alle drank op voor zaterdag en zal ik ook starten met de voorbereidingen van wat er voor te bereiden valt. Dat zal ongetwijfeld niet erg veel zijn, waardoor de druk weer op de zaterdagavond zelf zal komen te liggen; tussen de gangen door. Ik blijk geen slaapgasten te hebben omdat compadre R. en zijn gezelle in het holst van de nacht weer terug zullen rijden naar het barre Oosten vanwege verjaarsverplichtingen op de zondagochtend. Ga daar maar eens aanstaan na iets als mijn pre-kerstdiner en dan, met name, de hoeveel wijnen die daarbij zitten! Maar goed, they will find out the hard way, ghehehe. Nog ontzettend moeten lachen om de antwoordmail van compadre R. op mijn vraag wat de BOB dronk. Zijn, nu al, legendarische reactie: “De BOB drinkt een plat watertje, de niet-BOB daarentegen drinkt praktisch alles”. Dit zijn woorden van de man die ons al eerder de onsterfelijke kreet “kom niet tussen de man en zijn bier” bracht. De wijzen komen wel degelijk uit het Oosten, zo blijkt.

Morgen dus huis aan kant maken, drank halen, starten met de eerste gerechten en wat zo nog meer ter tafel komt. Zaterdag is dan de dag voor alweer de zevende editie van het pre-kerstdiner. Zondag zal ik wel niet al te bewust meemaken als gevolg daarvan. Maandag heb ik een borrel en een etentje met mijn twee collega-projectmanagers uit mijn tijd bij Het Bastion. Dinsdag komen mijn (pas aan een blinde darm geopereerde) nicht en haar echtgenoot bij me op de koffie waarna ze mij mee uit eten gaan nemen (zo hoort dat; steun de armlastige schrijver!) en vanaf daar mag ik de pijlen alweer gaan richten op Kerst en wat ik dan in vredesnaam zal gaan doen. In tegenstelling tot menig ander zijn bij mij de kerstdagen altijd een tijd van rust omdat ik dan in de regel single ben en de rest van de wereld dan bij familie zit (mijn familie is elk jaar in die periode op wintersport). Ook Oud en Nieuw volgt dan al met rasse schreden en dan krijg ik bezoek van compadre E. en zijn Australische gezelle die in december vanuit Australië zijn overgevlogen om een “tour de l’europe” te doen die zal eindigen in Casa Basa. De exacte datum van aankomst staat nog niet vast (30 of 31) maar dat ook dit iets is om naar uit te zien spreekt voor zich. Contact tussen ons is, vanwege de afstand, alleen via email en omdat hij het afgelopen jaar echt heel druk was kwamen we vaak niet verder dan alleen wat zinnen met highlights. De laatste keer dat we elkaar “in the flesh” zagen was vorig jaar zomer toen we samen naar Florence gingen voor een week.

Hoe dan ook moet ik nog wat research doen voor een leuk feest in Utrecht en dan, met name, hoe we daar gaan komen. Voor één uur ’s nachts zijn alle kroegen dicht en na elf uur ’s avonds valt er geen taxi te bestellen. Lopen is ook geen optie. Dit wordt dus een lastige, maar vast geen onmogelijke. Hoop ik.

En dan is het alweer 2010. Ik kan me nog zo herinneren dat ik de start van dit millenium in Lichtenvoorde vierde met compadre R. en zijn toenmalige gezelle V. Inmiddels zijn ze uit elkaar, hij wordt vader en zij feest zich helemaal een slag in de rondte (meende ik op haar Hyves te hebben gezien). Met geen van beiden heb ik nog echt contact. Raar hoe dat allemaal kan lopen. Zelf zit ik volgens mij in een soort van transitiefase nu en het herkennen van de eigen mechanismen helpt daar ook ontzettend bij. Luisteren naar je buik als die zegt dat iets niet klopt en open staan om je eigen verdedigingen en angsten te benoemen. Dat eerste gaat makkelijker dan het laatste, al werd het me omtrent het laatste toch wel een beetje duidelijk vandaag. Het gebeurt allemaal in golven, maar belangrijk is dat het gebeurt.

Of ik die ene vraag nog heb gesteld? Ja, maar niet zo direct als ik ‘m wilde stellen. En toch heb ik er een heel direct antwoord op gekregen want zo werkt het dan ook wel weer.

Gelukkig.

Glimlach_4

Het Huis

hier op deze zolderkamer. Een verdwaald straaltje maanlicht schijnt door een kier in de spinnewebben voor het raam naar binnen en trekt een spoor over de stoffige, houten vloer. Pluisjes dansen in haar baan nu het briesje vanuit de net open gedane deur hen tot leven heeft gekietelt. Ze vormen een schril contrast met de zompigheid van het karton aan weerszijden van hen, tegen de schuine wanden van het dak.

Het karton is van de dozen die hier bij tijd en wijle worden neergezet door een geest. Niemand in dit huis heeft het wezen echt gezien, maar soms wordt het ’s nachts of ’s avonds waargenomen als de treden van de trap naar boven plots kraken en men hoort hoe de zolderdeur opengaat. In het begin was dat een hele enge gewaarwording, maar met het klimmen der jaren is het zo vanzelfsprekend geworden dat men de thee in de woonkamer er niet meer voor laat staan. Dan zeggen de bewoners tegen elkaar “kijk, daar gaat onze onzichtbare huisgenoot ook weer”, waarna ze er nog een koekje op nemen en zich weer richten op de zaken van alledag. Of ze draaien zich om in hun bedstedes om hun diepe, droomloze slaap te hervatten. De zolder en de trap daar naartoe, zo heeft men in consensus besloten, is het domein van de geest en daarmee dus eigenlijk geen deel meer van het huis. Wat daar gebeurt, gebeurt daar en zolang de geest maar blijft in die helft van het huis, nemen de bewoners genoegen met de twee verdiepingen die hen nog resten. Het wonen hier is als de natuur zelve immers: alles heeft zo zijn eigen plekje.

Benjamin, de jongste telg van het geslacht dat hier woont, is een nieuwsgierig knaapje. Altijd al geweest. Dit tot grote onvrede van zijn ouders die vinden dat nieuwsgierigheid je in de regel alleen maar narigheid bezorgtt. Als Benjamin weer eens verlangend voor de grote, dichte eiken deur voor de zoldertrap staat met zijn hand bijna op de koperen klink, tikt zijn vader hem streng op de vingers. “Wat ben je daar aan het doen, jongen? Weet je dan niet dat we daar niets te zoeken hebben? Vlug, ga jij weer eens beneden en help je moeder met de afwas!”. En dan druipt Benjamin verbolgen over dit standje af naar beneden, maar niet zonder nog één laatste verlangende blik op de deurpost te werpen. “Ooit”, zo neemt hij zich voor, “ga ik gewoon stiekem door die deur heen als papa en mama slapen. Ik moet en zal weten wat er daar op zolder is!”.

Het is een gure decembernacht als Benjamin in bed ligt en hij de treden van de zoldertrap weer hoort kraken. Vroeger werd hij eigenlijk nooit wakker van dat geluid, maar de laatste paar maanden lijkt het alsof hij lichter is gaan slapen waardoor het gekraak hem meteen uit zijn droomloosheid haalt. Onrustig woelt hij onder de dekens en probeert hij zich voor te stellen hoe de wereld achter die deur eruit ziet. Voor een jong kind hanteert Benjamin daarvoor een zeer vernuftige methode, namelijk die van de deductie, ofwel het vormen van een beeld aan de hand van het uitsluiten van mogelijkheden. Archimedes, een wiskundige uit de Oude Wereld, benaderde op die wijze bijvoorbeeld opvallend precies complexe vraagstukken met betrekking tot omtrek en inhoud van figuren en zelfs de waarde van het getal Pi. Maar dat weet Benjamin natuurlijk nog niet, want alleen nieuwsgierige mensen weten dat en zijn vader zorgt er wel voor dat hij niet al te nieuwsgierig wordt. Wel kent hij de vorm van het gehele huis omdat hij dat van buitenaf gezien heeft en dus weet hij dat de zolderkamer schuine wanden zal hebben omdat dit huis een puntdak heeft. Ook weet hij dat er een dakraam is en dat de ruimte ook twee rechte muren zal hebben. Benjamin vermoedt dat de binnenkant van de zolderkamer van hout zal zijn, omdat de buitenkant van het huis dat ook is. En omdat het in de woonkamer en op de slaapkamers in de regel best warm is en warmte altijd naar boven stijgt vermoedt Benjamin dat het bovenin ook best wel warm zal zijn. Vochtig ook vermoedelijk, want in hout blijft nu eenmaal veel vocht hangen. En nat hout gaat ook ruiken, weet Benjamin. Muf zal het er dus waarschijnlijk ook zijn, net als in de houten kast op de overloop. Maar hoe de inrichting van de ruimte verder zal zijn, daar kan Benjamin niet eens naar gissen. Hij vermoedt dat zijn hobbelpaard er zal staan, want die was op een goede dag ineens verdwenen en niemand had geweten waar het was gebleven. Ook denkt hij dat zijn oude knikkerverzameling daar ergens verstopt zal zitten. Ook die was op een goede dag plots weg. Maar welke dingen nog meer? Nee, dat weet Benjamin niet. Soms denkt hij het te weten maar net als hij denkt dat hij het kan pakken is het weer weg. Als een vlindertje.

Hij ligt een uur te draaien en te woelen en dan kan hij zich niet langer bedwingen. Stilletjes sluipt hij zijn bed uit en loopt hij op z’n tenen naar de gang zodat hij papa en mama niet wakker zal maken. Als één van die twee hem treft dan krijgt hij namelijk op z’n kop en wordt hij subiet weer teruggejaagd naar zijn slaapkamer en dat is allemaal niet de bedoeling. Het huis lijkt echter in diepe ruste en als Benjamin bij de grote deur die voor de zoldertrap staat aankomt ziet hij, tot zijn niet geringe verbazing, dat deze op een kiertje staat. Angstig kijkt hij naar de slaapkamerdeur van zijn ouders, maar deze zit dicht en ook daar achter is het stil. Maar wat nu als ze hem horen? Een koude rilling loopt over zijn rug bij die gedachte en brengt hem gelijk in tweestrijd met zichzelf. Moet hij dit wel doen? En wat nu als het een boze geest is die daar op zolder leeft? Dan zou de ellende helemaal niet te overzien zijn.

En alsof het huis de gedachtengang van de kleine Benjamin heeft overhoord, gaat op dat moment de deur voor de trap nog een stukje verder open. Als Benjamin zijn ogen tot spleetjes maakt kan hij zelfs, in het duister achter de deur, al de omtrekken van de traptreden naar boven zien. Ze lijken hem te hypnotiseren en hem uit te nodigen. “Kom maar, jonge vriend. Wees welkom”. Maar aan de andere kant van zijn bewustzijn ziet hij de ogen van zijn ouders. De teleurstelling in hem, de boosheid, het verwijt, de berisping vanwege de schending van het onbenoemde pact met de geest hierboven. “Ik weet het niet hoor” mokt hij stilletjes en ploft op de grond neer in kleermakerszit met zijn gezicht leunend op zijn knuistjes. En op dat moment gaat de deur voor hem geruisloos weer dicht.

“Mama, ben jij wel eens op zolder geweest?” vraagt Benjamin aan zijn moeder als ze weer samen staan af te wassen. Moeder glimlacht lief naar haar jongste en schudt dan het hoofd. “Je vader en ik hebben allebei wel eens willen kijken, maar eigenlijk vinden we het ook wel goed zo. Weet je, alles in het huis gebeurt hier op basis van afspraken. Sommige daarvan zijn heel erg uitgesproken, zoals dat je de bril van de wc naar beneden moet doen als je klaar bent, maar andere zijn er meer omdat dat nu eenmaal zo is. Als het hier een grote troep in huis is bijvoorbeeld, dan ruimt de geest op zolder het allemaal op zodat wij de volgende dag weer vrij rond kunnen lopen hier. Daarom hoeven wij zelf niets op te ruimen. Behalve de afwas dan, want die kopjes en bordjes gebruiken we natuurlijk heel erg veel”. Hier moet Benjamin even over nadenken.

“Maar als de geest alle troep van beneden opruimt en mee naar boven neemt, dan wordt de zolder op enig moment toch veel te klein voor al dat afval?”, zegt hij tenslotte. Mama laat van schrik een kopje uit haar handen vallen. “Zie nu toch eens wat je gedaan hebt met al je vragen! Schiet op! Naar je kamer!”, schreeuwt ze tegen hem en Benjamin rent, totaal overstuur, naar boven.

Die nacht ligt Benjamin weer wakker. Hij heeft uren aan één stuk gehuild, maar dat mag hij niet tonen aan zijn ouders omdat ze vinden dat hij een “grote vent” moet zijn. Daarom doet hij dat maar in de stilte van zijn eigen, kleine ruimte waar niemand hem kan zien. Hij voelt een loden last op hem drukken en, alsof het huis één met hem is, ziet hij plots ook dat het plafond van zijn kamer een bolling naar beneden vertoont. Alsof het gewicht van wat er ligt opgestapeld recht boven hem te veel is geworden voor het huis om te dragen. De schrik slaat Benjamin om het hart. Wat nu als de zaak hier boven zijn hoofd instort? Dan is zijn kamer pertinent vernield en kan hij hier niet meer liggen. Waar moet hij dan heen? Waar kan hij dan heen?

Op dat moment hoort hij, met een licht gekraak, de deur naar de zoldertrap open gaan.

De trap naar de zolder is minder stijl dan hij had verwacht. De treden kraken niet onder zijn zolen en bijna als vanzelf merkt hij dat hij de ene voet voor de andere zet. Steeds weer iets hoger komend naar de zolderdeur. Hij aarzelt nog heel eventjes en overweegt nog even om terug te gaan naar beneden, maar realiseert zich dat er nu eigenlijk geen weg meer terug is. Iets in hem is veranderd nu hij heeft besloten, weliswaar in paniek, maar toch, deze stap te zetten. Als hij voor de donkere zolderdeur staat geeft hij deze een licht zetje, maar voor een deur die nog nooit door een levend wezen is geopend gaat deze opvallend soepel open. Er is een laatste moment van twijfel, maar dan toch gaat Benjamin over de drempel en komt hij voor het eerst van zijn leven in het ware domein van de geest des huizes.

Dozen, zoveel dozen. Het staat hier tjokvol ziet hij. Geen wonder dat het plafond van zijn slaapkamer zo aan het inzakken was! Zijn blik neemt de volgepropte ruimte op: de spinnewebben, het stof, het maanlicht en uiteindelijk de gestalte van een klein jongetje die zit op zijn oude hobbelpaard, vlakbij het raam. Het jongetje kijkt hem aan met een opgewekte grijns. “Hoi!”, zegt hij met een lach in zijn stem. “Heb je toch maar besloten te komen?”

“Wie ben jij?” vraagt Benjamin, een beetje onwennig al voelt hij zich ergens wel prettig hier op deze muffe zolderkamer. “Tja, dat is een goede vraag” zegt het geestjochie op het hobbelpaard. “Ik denk dat die vraag er niet zo heel veel toe doet. Laten we, voor het gemak, zeggen dat ik een verzamelaar ben. Ik verzamel alles waarvan de andere mensen in dit huis denken dat ze het niet meer nodig hebben en dan stop ik het in dozen. Ik ben helaas niet echt een goede bibliothecaris, dus het ziet er allemaal wat ongeorganiseerd uit, maar als je een beetje op de tast door de ruimte gaat vindt je altijd wel iets van je gading. Of iets wat je nodig hebt. Mijn verzameling wordt elke maand een beetje groter en ik vrees dat ik één dezer weken moet gaan uitbreiden naar de etage hier beneden. Dan zul je ook een ander plekje moeten gaan zoeken om te gaan slapen, want jouw kamer heb ik dan zeker nodig!”. Benjamin schrikt hiervan. “Maar ik wil helemaal niet weg uit mijn slaapkamer! Dan moet ik bij papa en mama op de slaapkamer en daar ben ik al veel te oud voor. Bovendien zullen ze dat zelf ook niet zo heel erg op prijs stellen denk ik. En dat was ook niet de afspraak die we met je hadden!”. Het geestjochie stopt met wiegen op z’n hobbelpaard. “Hadden wij een afspraak dan? ”

“Wat kan ik doen om ervoor te zorgen dat jij mijn kamer niet inpikt?” zegt Benjamin na enig nadenken. “Hm...”, kreunt het geestjochie en kijkt bedenkelijk voor zich uit. “Nou, ik denk dat er een aantal opties zijn. De eerste is dat je me kunt sommeren dit huis te verlaten, maar ik verzeker je dat ik niet zonder slag of stoot zal vertrekken. En mocht het je wel lukken om mij weg te krijgen, dan haal je meteen de ziel uit dit huis. Want dat ben ik ook: de ziel. Een andere optie is dat jij en ik het op een akkoordje gaan gooien. Ik zal dan niet zelf jouw kamer inpikken, maar in plaats daarvan ga jij de dozen die ik hier heb weer naar beneden brengen, uitpakken en vervolgens een plekje geven in dit huis. Daarbij kan ik jou niet helpen, want ik verzamel alleen maar, maar die verantwoordelijkheid kun je volgens mij best zelf dragen. Lijkt je dat wat?”.

Benjamin moet hier wat op kauwen. Tenslotte zegt hij “Dat wil ik wel, maar dan krijg ik ruzie met papa en mama want die willen niet eens dat ik hier überhaupt op zolder ben, laat staan dat ik al deze dozen mee naar beneden neem!”.

“Tja”, verzucht het geestjochie, “ik wil niet heel cru op je overkomen, maar die vader en moeder van jou, dat is toch echt jouw probleem. Misschien moet je ze het huis uit schoppen? Ik zeg maar wat hoor. Het hoeft natuurlijk niet, je kunt ook alles hier laten staan en dan ga ik gewoon door met verzamelen totdat je niet eens meer dit huis binnen kunt komen, want, echt, ik ga wel door. Maak je daarover maar niet druk! Of misschien moet je ze duidelijk maken dat ze te gast zijn in jouw huis, dat ze van harte welkom zijn daar te verblijven, maar dat jij bepaalt hoe de inrichting is. Niet zij, niet iemand anders, alleen jij”.

Benjamin staat perplex. “Maar, maar, dit is toch niet mijn huis?”

Het geestjochie glimlacht en begint weer te hobbelen op het hobbelpaard.

“Jawel hoor, dat is het wel”.

De eerste doos die Benjamin naar beneden tilde, op z’n bed neerzette en vervolgens uitpakte leverde hem geen lovende recensies op van zijn ouders die briesend en tierend aan zijn bed stonden. “Wat denk jij dat je aan het doen bent!” schreeuwde zijn vader naar hem en Benjamin had instinctief de neiging om ineen te krimpen en om maar toe te geven. Hij haatte het om zijn ouders boos op hem te zien en hij wilde dan maar het liefste weg kruipen in een donker hoekje van de kamer. Maar hij deed zijn uiterste best om toch te blijven staan waar hij stond. Hij keek op naar zijn vader terwijl hij beet op zijn onderlip en herhaalde toen wat het geestjochie hem had verteld. Hij probeerde daarbij manmoedig zo recht mogelijk te staan.

“Jij bent mijn innerlijke vader in dit huis dat ik ben. Jij staat voor de hardheid van het leven, voor het vechten, voor de oordelende opinie van mijn medemens en voor de bescherming van mijn thuisbasis. Jij schonk mij leven en daarna schonk je mij jouw leven opdat jij door mij zou voortleven. Ik ben je dankbaar en daarom laat ik je vrij rondwandelen in mijn huis. Je bent welkom”

Zijn moeder barstte daarop in huilen uit, weende dat Benjamin niet meer van haar hield en hoe hij dit alles toch had kunnen doen? Benjamin had het moeilijk met haar reactie en voelde ook bij hemzelf de tranen opkomen. Hij vond het vreselijk haar zo te zien. Toch sprak hij ook tegen haar de woorden die het geestjochie hem had ingefluisterd.

“Jij bent mijn innerlijke moeder in dit huis dat ik ben. Jij staat voor mijn gevoel, voor troost, voor zachtheid, voor de afwijzing van een andere liefde en voor de schoot van mijn thuisbasis. Jij schonk mij leven en daarna schonk je mij jouw leven opdat jij door mij zou voortleven. Ik ben je dankbaar en daarom laat ik je vrij rondwandelen in mijn huis. Je bent welkom”

En terwijl de zon buiten roodgloeiend haar hoogste stand aan de hemel bereikte versmolten in het huis de drie gestalten die eerst apart hadden gedoold samen tot één geheel van geconcentreerde energie. De deur voor de zolder versplinterde met donder en geweld. Het stof vulde het gehele huis en het zou nog jaren duren voordat het laatste pluisje de grond had bereikt.

“En, hoe ging het?” vroeg het geestjochie toen ze elkaar, weken later, tegenkwamen op de zoldertrap waar hij net een doos naar boven sjouwde en Benjamin een doos naar beneden.

“Het voelt onwennig en soms ook wel eens niet kloppend”, bekende Benjamin. “Ergens mis ik de veiligheid, het bekende en de routine van het wonen met papa en mama nog wel. Het voelt zo onbegrensd soms en dat maakt dat het ook wel wat kaderloos lijkt. Het voelt niet altijd even fijn”.

Het geestjochie knikte, wipte een snoepje uit z’n broekzak en bood Benjamin er ook eentje aan. “Kan ik me wel voorstellen hoor. Of, nu ja, ergens ook weer niet natuurlijk want ik breng alleen maar dingen naar zolder die jij niet meer gebruikt en heb zelf geen andere papa of mama dan Het Hogere, maar toch. Ik moet er ook niet aan denken om ineens een andere rol te moeten vervullen. Ik weet niet eens of ik het zou kunnen”

“Maar vraag jij je nooit af dan waarom je doet wat je doet?” pareerde Benjamin, want hij mocht nu immers zo nieuwsgierig zijn als hij zelf maar wilde.

Het geestjochie tuitte zijn lippen en zoog op zijn snoepje terwijl zijn ogen ondeugend fonkelden. “Ach, weet je, Benji-Boy, als je Het Hogere dient dan stel je jezelf dat soort vragen eigenlijk niet. Dan weet je ergens gewoon dat het goed is wat je doet en, dat als het een keer niet goed gaat, dat dit ook z’n functie heeft. Niemand vertelt me bijvoorbeeld wat ik in deze dozen moet stoppen en toch weet ik precies wat er in mag en wat niet. En zo gaat het eigenlijk overal. Ook bij jou, al moet je daar nog wat aan wennen”.

Hier moest Benjamin weer eens goed over nadenken gedurende het sjouwen van de doos naar beneden. Toen hij bijna beneden aan de trap stond draaide hij zich nog één keer om en riep naar boven “hey, geestjochie, maar wie is Het Hogere waarover jij het hebt dan eigenlijk?”.

Het geestjochie die op het punt stond de hoek om te gaan met de doos in zijn armen keek door het trapgat naar beneden, weer met die kwajongensgrijns van ‘m op z’n toet.

“Het Hogere is niet jouw vraag net zomin als dat het mijn antwoord zou zijn. Dus, eh, deduceer maar. Succes, Benji-Boy!”

En met een sierlijke zwaai van zijn onderbeen wipte het geestjochie de zolderdeur achter zich dicht voor die dag.

maart 2010

ma di wo do vr za zo
1 2 3 4 5 6 7
8 9 10 11 12 13 14
15 16 17 18 19 20 21
22 23 24 25 26 27 28
29 30 31        

Eye of the beholder

Hot in de IPod

  • Peter Gabriel: Scratch my back
  • Massive Attack: Heligoland
  • Orphaned Land: The Neverending Way Of ORWarrior
  • Pain Of Salvation: Linoleum (EP)
  • Mono: Hymn to the Immortal Wind
  • Delirium: Il Nome Del Vento
  • Oceansize: Home & Minor (EP)
  • Magma: Ëmëhntëhtt-Ré
  • The Devil's Blood: Time of no time evermore
  • Living Colour: The chair in the doorway
Blog powered by TypePad